bekijk de
samenvatting

 

1Voorwoord

Beste lezer,
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de handel in Bouwmaterialen (Bpf HiBiN) heeft de afgelopen jaren stormachtige tijden doorgemaakt. Dat werd ingeluid door de kredietcrisis in 2008 en de daaropvolgende eco­nomische ontwikkelingen, zoals een daling van de rentestand en een koers­val op de beurs. Gelijktijdig werden we bovendien geconfronteerd met een stijging van de levensverwachting, en dat betekende voor ons een verhoging van de pensioenverplichtingen. In 2013 en 2014 zien we een voorzichtig herstel. Ook nieuwe regelgeving over de governance (organisatie) van pensioenfondsen en nieuw financiële en fiscale kaders vergden in de afgelopen jaren veel aandacht van het bestuur.

2014: een voorzichtig herstel maar nog wel een reservetekort

Na een paar moeilijke jaren zagen we in 2013 de eerste tekenen van een voorzichtig herstel. Dit heeft zich voortgezet in 2014. De dekkingsgraad per 31 december 2014 is 112,0%. Het fonds verkeert onder de eisen van het nieuwe financieel toetsingskader (nFTK) nog wel in een reservetekort, waarover later meer.


Ambitie bestuur: pensioenen waardevast houden

Hiermee heeft Bpf HiBiN zich in financiële zin in de goede richting ontwikkeld. Veel pensioenfondsen hebben de afgelopen jaren de pensioenen moeten verlagen, omdat het herstel onvoldoende was. Dat was en is bij ons gelukkig niet aan de orde. Maar we moeten ook stellen dat we zeker nog niet op het gewenste niveau zitten. Dat zijn we pas wanneer we in staat zijn de pensioenen jaarlijks waardevast te houden en dus aan te kunnen passen aan de inflatie. Gezien de aangescherpte wetgeving en de huidige economische omgeving, zal de kans op het indexeren van pensioenen de komende jaren zeer gering zijn.


2014: een jaar van verandering

Ook achter de schermen heeft het bestuur in 2014 gewerkt aan wijzigingen vanuit de wetgever, zoals versobering van de pensioenopbouw en verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar. Bovendien is in 2014 de Wet versterking bestuur pensioenfondsen in werking getreden. Daarmee is het bestuursmodel van ons fonds veranderd door de introductie van een gepensioneerde in het bestuur, het opheffen van de deelnemersraad en de instelling van een raad van toezicht. Het nieuwe en uitgebreide verantwoordings­orgaan heeft meer taken en bevoegdheden gekregen.


2015: een nieuw financieel toetsingskader

De kredietcrisis en de daarmee samenhangende economische ontwikkelingen hebben duidelijk gemaakt dat het Nederlandse pensioenstelsel onvoldoende bestand is tegen grote schokken op de financiële markten. De overheid heeft hard gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, een nieuw financieel toetsingskader (nFTK) is per 1 januari 2015 een feit. Van een rustige tijd is dus geen sprake. Als pensioen­fonds zijn wij in hoge mate afhankelijk van de economische en politieke ontwikkelingen. In 2014 is een voorzichtig herstel zichtbaar. Een ontwikkeling waarvan wij van harte hopen, ook voor onze sector, dat deze zich zal voortzetten in de komende jaren. Ook in 2015 mag u rekenen op het bestuur van uw pensioenfonds: wij gaan er alles aan doen om onze doelstellingen te realiseren.


Rest ons iedereen te danken die zich in 2014 voor ons fonds heeft ingezet.

Breda, 26 juni 2015


C. Lonsain
vice voorzitter bestuur a.i.



A.N. Slingerland
bestuurslid


 

 

 

 

 

 

 

bekijk de
samenvatting

 

2Informatie over Bpf HiBiN

De stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Handel in Bouwmaterialen (Bpf HiBiN), statutair gevestigd te Breda, is door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verplicht gesteld op 28 juni 1958. De laatste statutenwijziging was op 25 november 2014. De stichting is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 41197852. Het pensioenfonds is aangesloten bij de Pensioenfederatie.

Bpf HiBiN voert de pensioenregeling uit die is afgesproken voor de sector Handel in Bouwmaterialen tussen de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. Dit zijn Vereniging van Handelaren in Bouwmaterialen in Nederland (Koninklijke Hibin). En voor de vakorganisaties: FNV, CNV Dienstenbond en De Unie), vakbond voor industrie en dienstverlening. De Unie heeft haar bestuurszetel vanaf 1 juli 2014 opgegeven ten gunste van een zetel namens de pensioengerechtigden naar aanleiding van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen.

2.1

Wat gebeurt er in onze sector en wat is de invloed op Bpf HiBiN?

Ontwikkelingen in onze sector zijn soms van directe invloed op Bpf HiBiN. Zo betekent minder omzet vaak minder personeel en daarmee minder deelnemers voor Bpf HiBiN. We nemen u mee langs een aantal ontwikkelingen.


Gevolgen van de economische crisis

De economische crisis heeft ook in onze sector veel invloed gehad. Bedrijven hadden ook in 2014 veel last van margedruk, faillissementen bij afnemers en oplopende betalingstermijnen. Veel bedrijven waren hierdoor in 2014 genoodzaakt tot een strakker debiteurenbeleid en verscherping van het inkoopbeleid. Daarnaast waren vaak verdere maatregelen nodig om kosten te besparen, waaronder afbouw van voorraden en verlaging van loonkosten. Door de economische teruggang is in de voorliggende periode een groot aantal middelgrote aannemers­bedrijven failliet gegaan. Hierdoor hebben veel handelsbedrijven hun organisatie- en business model moeten aanpassen aan de nieuwe situatie van afnemende volumes, financiële krapte en veranderde markten en klanten. Het aantal ZZP’ers is de afgelopen jaren toegenomen en wordt een steeds belangrijkere doelgroep voor de bouwmaterialengroothandel. Ook is sprake van een toename in e-commerce activiteiten.


Wat betekent dit voor Bpf HiBiN?

De scherpe prijsconcurrentie werkt een spoedig herstel van de sector tegen. Desondanks zijn er in 2014 bij Bpf HiBiN per saldo 500 deelnemers bijgekomen (er vertrokken 1300 deelnemers en wij mochten 1800 nieuwe deelnemers verwelkomen). Deelnemers vertrekken onder meer door de beperking van de loonkosten in de sector. De nieuwkomers zijn onder andere deelnemers van bedrijven die in 2014 voor onze sector en onze pensioenregeling hebben gekozen, dan wel door ons zijn aangesloten op basis van de verplichtstelling.

2.2

Doelstelling, missie en visie
Doelstelling

Het doel van het fonds staat omschreven in de statuten. Samengevat heeft het fonds ten doel, overeenkomstig de bepalingen van de statuten en van het (de) pensioenreglement(en) van het fonds, werknemers en gewezen werknemers, alsmede hun nagelaten betrekkingen te beschermen tegen geldelijke gevolgen van ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid. Het bestuur heeft als taak het pensioenfonds zodanig te besturen dat deze doelstelling wordt gerealiseerd.


Missie *

De Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Handel in Bouwmaterialen (Bpf HiBiN) draagt zorg voor een aanvullend pensioen dat is gebaseerd op de wensen van werkgevers en werknemers, ex-werknemers en gepensioneerden in de betreffende sector. De uitvoering van deze pensioenregeling vindt op integere wijze plaats, is kostenefficiënt en in de communicatie begrijpelijk en transparant. Wet- en regelgeving zijn daarbij de kaders waarbinnen Bpf HiBiN zich nauwgezet zal begeven. Bij alle besluiten zet Bpf HiBiN het belang van de deelnemers voorop en houdt daarbij steeds rekening met de maatschappelijke gevolgen van deze besluitvorming.


Visie

Bpf HiBiN streeft daarbij naar een optimale verhouding tussen lage kosten en maximale opbrengsten en maakt daarbij altijd een goed uitlegbare afweging tussen zekerheid en waardevaste pensioenaan­spraken. Bij haar beleid bewaakt Bpf HiBiN proactief het behoud van voldoende schaalgrootte en draag­vlak, dit om die optimale verhouding en goed uitleg­bare afweging ook op termijn te kunnen blijven realiseren.


2.3

Verplichtstelling voor bedrijven in de sector

Bpf HiBiN is het verplichtgestelde bedrijfstakpen­sioen­fonds voor de sector Handel in Bouwmaterialen. Het zijn cao-partijen die een verzoek tot verplicht­stelling, een wijziging of intrekking van de verplichtstelling doen. Zonder hen is een verplichtstelling niet mogelijk. De verplichtstelling is vastgelegd in een verplichtstellingsbesluit. Door de verplichtstelling zijn werkgevers die onder de reikwijdte van de verplichtstelling vallen (onze sector) verplicht zich aan te sluiten bij Bpf HiBiN.


In een beperkt aantal gevallen is het voor een werkgever mogelijk vrijstelling te krijgen van de verplichtstelling. Bpf HiBiN heeft beleid ontwikkeld ten aanzien van het verlenen van vrijstellingen. Dit beleid is gepubliceerd op de website www.verplichtstellingbpfhibin.nl. Bpf HiBiN dient voor bepaalde vrijgestelde ondernemingen minstens eenmaal in de vijf jaar te controleren of de betreffende onderneming nog voldoet aan de eisen van de verleende vrijstelling.

2.4

Pensioenregeling en pensioenreglement
Pensioenregeling

Bpf HiBiN heeft tot doel uitvoering te geven aan de pensioenovereenkomst die is afgesproken tussen de sociale partners en die volgens de verplichtstelling geldt voor de aangesloten ondernemingen en de (gewezen) deelnemers. Hiertoe wordt voor de aan­gesloten werkgevers, deelnemers, gewezen deel­nemers en pensioengerechtigden ruim € 700 miljoen belegd.


De pensioenregeling van Bpf HiBiN heeft het karakter van een uitkeringsovereenkomst. Bij deze vorm van pensioen ontvangt de deelnemer op het moment van pensionering een periodieke uitkering van een bepaalde hoogte. De hoogte van de pensioenaanspraak is afhankelijk van het salaris en de diensttijd. De hoogte van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht staat van tevoren vast, mits er geen verlaging van de pensioenaanspraken wordt toegepast.


Pensioenreglement

De pensioenregeling is vastgelegd in het pensioen­reglement. Dit geeft de rechten en verplichtingen weer tussen Bpf HiBiN en de deelnemers.


Uitvoeringsreglement

De rechten en verplichtingen tussen de bij Bpf HiBiN aangesloten werkgevers zijn vastgelegd in het uitvoeringsreglement. Het uitvoeringsreglement vermeldt o.a. de afspraken over de financiering en de uitvoering van de pensioenregeling(en).

De pensioenregeling is vastgelegd in het pensioen­reglement. Dit geeft de rechten en verplichtingen weer tussen Bpf HiBiN en de deelnemers.

2.5

Inhoud van pensioenregeling 2014

De pensioenregeling is een verplichte pensioen­- regeling voor alle werknemers van 21 jaar en ouder. De pensioenregeling voorziet in de opbouw van een levenslang ouderdomspensioen. Vanaf 2014 is er nog maar één pensioengrondslag, een opbouwpercentage van 2% bij een pensioenrichtleeftijd van 65 jaar, een maximum pensioengevend salaris van € 41.520 en een franchise van € 11.919. De excedentregeling die door Bpf HiBiN werd gefaciliteerd is per 1 januari 2014 afgeschaft.


Voor deelnemers met een echtgenoot of partner is in 2014 een partnerpensioen verzekerd ter grootte van 70% van het ouderdomspensioen. Het deel van het partnerpensioen over de jaren vanaf 1 juli 2001 is alleen op risicobasis verzekerd. Voor deelnemers met kinderen is een wezenpensioen meeverzekerd ten bedrage van 14% van het ouderdomspensioen voor elk kind. De pensioenopbouw wordt voor arbeidsongeschikte deelnemers voortgezet onder vrijstelling van bijdragebetaling.


Indexatie

Bpf HiBiN kent een voorwaardelijk geïndexeerde middelloonregeling. Bpf HiBiN streeft ernaar de opgebouwde pensioenaanspraken te indexeren met als doel het pensioen zoveel mogelijk waardevast te houden. Deze indexatie is voorwaardelijk. De voorwaardelijke indexatie is voor de actieve deelnemers gebaseerd op de looninflatie en voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden op de prijsinflatie. De laatste jaren heeft Bpf HiBiN door de financiële situatie geen indexatie toegekend.


Anw-hiaatregeling

De vrijwillige Anw-hiaatregeling zorgt voor een aanvulling op de Anw-uitkering van de overheid. Deze regeling is in een afzonderlijk reglement opgenomen.


Prepensioenregeling

De pensioenopbouw in de prepensioenregeling is met ingang van 1 januari 2006 beëindigd. In de regeling zijn de tot 1 januari 2006 opgebouwde prepensioenaanspraken premievrij achtergebleven. Ook in deze regeling werd de pensioenopbouw voor arbeidsongeschikte deelnemers voortgezet onder vrijstelling van de bijdragebetaling. De opgebouwde aanspraken en ingegane pensioenen uit deze regelingen worden in beginsel waardevast gehouden. De indexering van de pensioenen is voorwaardelijk.


Toekomst

Het bestuur kijkt naar samenwerkingsverbanden met andere pensioenfondsen om zo (collectief) inkoopvoordeel te halen. In de praktijk groeien veel sectoren naar elkaar toe. Het assortiment van de bouwmaterialenhandel en houthandel is nagenoeg hetzelfde, alleen de een heeft overwegend meer bouwmaterialen en de ander meer hout- en plaatmaterialen.


2.6

Klachten en geschillen over de uitvoering van de pensioenregeling en daaruit vloeiende acties

Gedurende het verslagjaar zijn er klachten bij het fonds binnen gekomen. Klachten van werkgevers gingen onder meer over:

  • Nota problematiek, verkeerde informatie op nota;
  • Overstappen naar pensioenaangifte;
  • Overstappen van kwartaal- naar maandfacturatie.


Deze klachten zijn door het bestuur opgepakt en met de pensioenadministrateur is een plan van aanpak gemaakt om deze problemen te verhelpen.


Deelnemers dienden klachten in over:

  • Te late betaling van afkoop van kleine pensioenen;
  • Te hoge of te lage pensioenuitkeringen.
Deze klachten zijn door het bestuur opgepakt en samen met de pensioenadministrateur zijn deze klachten opgelost.


Het proces afkoop slapers was in het verslagjaar 2014 in eigen beheer en werd uitgevoerd door het bestuursbureau. De uitbetaling werd verzorgd door de administrateur. Het bestuur heeft eind 2014 besloten het gehele proces vanaf 2015 weer onder te brengen bij de administrateur.


*Het bestuur heeft de missie en visie vastgesteld in maart 2015

 

 

 

 

 

 

 

 

bekijk de
samenvatting

 

3Meerjarige kerncijfers


 

 

 

 

 

 

bekijk de
samenvatting

 

4Pensioenfondsbestuur, governance en verantwoording

4.1

Inleiding: Wet versterking bestuur pensioenfondsen

Per 1 juli 2014 is de Wet versterking bestuur pensioenfondsen in werking getreden. Het bestuur heeft er voor gekozen het paritaire bestuursmodel te handhaven. In het paritaire model worden de bestuursleden voorgedragen door de werkgevers- en werknemersorganisaties. Daarnaast heeft het bestuur gekozen voor de mogelijkheid het bestuur aan te vullen met twee onafhankelijke bestuurders met beleggingsexpertise. De bestuurszetel die werd ingevuld door vakbond De Unie is verruild voor een zetel voor een bestuurslid dat pensioengerechtigden zal vertegenwoordigen. Met de inwerkingtreding van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen kent Bpf HiBiN drie organen: naast het bestuur is er ook een verantwoordingsorgaan en een permanente Raad van Toezicht. De deelnemersraad is per 1 juli 2014 opgehouden te bestaan.


Meer informatie over de organen van het fonds vindt u in de volgende paragrafen.

4.2

Bestuur

Het bestuur bestuurt volgens het paritair model als omschreven in artikel 100 van de Pensioenwet en bestaat uit:

  • drie leden namens de werkgevers (op voordracht van de werkgeversvereniging ”Koninklijke Vereniging van Handelaren in Bouwmaterialen in Nederland”;
  • twee leden namens de werknemers (waarvan één op voordracht van FNV Bondgenoten en één op voordracht van CNV Dienstenbond);
  • één lid namens de pensioengerechtigden (op voordracht van de geleding van pensioen­gerechtigden in het verantwoordingsorgaan) en
  • minimaal één en maximaal twee leden die geen directe vertegenwoordiger is of zijn van de belanghebbenden van het fonds (voor te dragen door de leden van het bestuur zelf).


Het bestuur kiest jaarlijks uit zijn midden een voorzitter en vice-voorzitter.


Het bestuur benoemt haar leden, na goedkeuring door de Raad van Toezicht. Een benoeming is pas definitief nadat De Nederlandsche Bank (DNB) als toezichthouder schriftelijk met de voorgenomen benoeming heeft ingestemd.


Aan de werving en selectie van kandidaat- bestuursleden ligt een functieprofiel ten grondslag. Het bestuur maar ook DNB en Raad van Toezicht toetsen of een kandidaat voldoet aan dit profiel.


De maximale zittingstermijn bedraagt twaalf jaar. Een bestuurslid kan overeenkomstig het bepaalde in de wet en/of de statuten van het fonds worden geschorst of ontslagen.


Mutaties en herbenoemingen bestuur in 2014 Per 1 juli 2014:
Aftreden van:

  • De heer G. Mantel, werkgeversbestuurslid (voorzitter)
  • De heer J. Spruijt, werknemersbestuurslid (namens De Unie)


Benoeming van:
  • De heer M.P. Vijver, onafhankelijk bestuurslid
  • De heer M.J.J. Vaes, bestuurslid namens pensioen­gerechtigden

Samenstelling bestuur op 31 december 2014

  • De heer C. Lonsain, werknemersbestuurslid (namens CNV Dienstenbond) en voorzitter a.i.
  • De heer A.N. Slingerland, werkgeversbestuurslid
  • Mevrouw S. van der Ploeg, werkgeversbestuurslid
  • De heer M.P. Vijver, onafhankelijk bestuurslid
  • De heer F.J.M. de Beer, werknemersbestuurslid (namens FNV Bondgenoten)
  • De heer M.J.J. Vaes, bestuurslid namens pensioengerechtigden
  • Vacature onafhankelijk bestuurslid. Deze is per 1 februari 2015 ingevuld door de heer H.J.J. Schoon
  • Vacature werkgeversbestuurslid


Samenstelling bestuur naar geslacht en leeftijd (diversiteitsbeleid)
Ultimo 2014 bestaat het bestuur uit vijf mannen en een vrouw. Deze personen vielen in de volgende leeftijdscategorie:
Tot 40 jaar: 1
40 - 50 jaar: 2
50 - 60 jaar: 1
60 +: 2

4.2.1

Bestuurlijke commissies

Het bestuur werkte in 2014 met vier bestuurlijke commissies:

  • de Beleggingscommissie;
  • de Commissie Risicomanagement;
  • de Commissie Verplichtstelling;
  • de Commissie Communicatie.


De commissies hebben voornamelijk een voorbereidende en adviserende rol richting het bestuur. De taken en bevoegdheden zijn vastgelegd in een door het bestuur per commissie vastgesteld reglement.


Elke commissie is, onder voorbehoud van goed­keuring door het bestuur, bevoegd niet-bestuursleden als lid aan te wijzen. Aangezien deze leden geen bestuurlijke eindverantwoordelijkheid kunnen dragen, hebben zij geen stemrecht waar het gaat om het nemen van besluiten.


Op verzoek van de leden van het verantwoordings­orgaan heeft het bestuur besloten hen als ’toehoorder’ (zonder stemrecht) zitting te laten hebben in de diverse bestuurscommissies. Het verantwoordingsorgaan wordt op deze wijze optimaal geïnformeerd over de achtergronden van de besluitvorming.


4.2.2

Klachten- en geschillencommissie

Het fonds kent een klachten-, respectievelijk geschillenreglement. Dit is gepubliceerd op de website van het fonds. Het bestuur heeft een geschillencommissie ingesteld bestaande uit onafhankelijke personen zonder binding met het fonds. Omdat het bestuur eindverantwoordelijk is voor de uitvoering van de regeling brengt de geschillencommissie een niet bindend advies uit.


Omdat het bestuur eindverant­woordelijk is voor de uitvoering van de regeling brengt de geschillencommissie een niet bindend advies uit.

4.2.3

Bestuursbureau

Het bestuursbureau ondersteunt het bestuur primair bij het uitvoeren van haar bestuurstaken en daarnaast bij het invullen van de regiefunctie (geschiktheid, processen, rapportages) om als bestuur voldoende ’countervailing power’ jegens de uitvoeringsorganisatie, vermogensbeheerders, adviseurs en overige derden te creëren en te behouden. Het bestuursbureau wordt aangestuurd door een directeur. Zijn taken en bevoegdheden zijn vastgelegd in een directiereglement. De directeur is als medebeleids­bepaler, getoetst en goed bevonden door DNB in 2014.

4.3

Intern toezicht

4.3.1

Raad van Toezicht

Het intern toezicht wordt met ingang van 1 juli 2014 uitgeoefend door de Raad van Toezicht. De Raad van Toezicht bestaat uit drie onafhankelijke en deskundige personen. Zij hebben verder geen band met het fonds. Dit geldt ook voor de organisatie waar zij werkzaam zijn.


De Raad van Toezicht houdt toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in het fonds. De Raad van Toezicht is belast met het toezien op adequate risicobeheersing en evenwichtige belangenafweging door het bestuur. De Raad van Toezicht legt verantwoording af over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden aan het verantwoordingsorgaan en in het jaarverslag. Het verslag van de Raad van Toezicht vindt u in hoofdstuk 9.


De instelling, samenstelling en taken en bevoegd­heden van de Raad van Toezicht zijn vastgelegd in statuten van het fonds. Daarnaast is een reglement van de Raad van Toezicht opgesteld. De statuten vindt u terug op onze website www.bpfhibin.nl.


Het bestuur benoemt de leden van de Raad van Toezicht op voordracht door het verantwoordingsorgaan. Een benoeming is pas definitief nadat DNB schriftelijk met de voorgenomen benoeming heeft ingestemd. De zittingstermijn van leden van de Raad van Toezicht is vier jaar. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd. Een lid van de Raad van Toezicht kan overeenkomstig het bepaalde in de wet en/of de statuten van het fonds worden geschorst of ontslagen.


Samenstelling Raad van Toezicht eind 2014

  • De heer P.J.M. Akkermans, voorzitter
  • De heer A.A. van Hienen, lid
  • De heer A.M.J. de Bekker, lid

4.3.2

Verantwoordingsorgaan

Bpf HiBiN heeft ook een verantwoordingsorgaan als bedoeld in artikel 115 van de Pensioenwet. De leden van het verantwoordingsorgaan zijn zelf (gewezen) deelnemer, pensioengerechtigde of vertegenwoordiger van een aangesloten onderneming.


Het bestuur legt verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan over het gevoerde beleid. De Raad van Toezicht legt verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan over de uitvoering van haar taken en de uitoefening van haar bevoegdheden.


Het verantwoordingsorgaan voorziet het bestuur van gevraagd en ongevraagd advies. Het verantwoordingsorgaan bestaat uit zes leden:

  • twee leden hebben zitting namens de deelnemers,
  • twee leden namens pensioengerechtigden
  • één lid namens werkgevers en
  • één lid namens gewezen deelnemers.


Benoeming van de vertegenwoordigers namens de pensioengerechtigden voor het verantwoordings­orgaan vindt plaats door verkiezingen. Vertegen­woordigers van de deelnemers en gewezen deel­nemers worden benoemd door de werknemersverenigingen.De taken en bevoegdheden en wijze van benoeming zijn vastgelegd in de statuten en in het Reglement voor het verantwoordingsorgaan. Een zittingstermijn van leden van het verantwoordingsorgaan is vier jaar. Herbenoeming is mogelijk.


Samenstelling verantwoordingsorgaan eind 2014

  • De heer R.F.M. van Scheijndel, namens pensioen­gerechtigden en voorzitter
  • De heer H.K. Vink, namens gewezen deelnemers
  • De heer J. Krijt, namens pensioengerechtigden
  • Mevrouw M.A.L. van Heesbeen, namens werknemers
  • De heer H.G.M. Zaan, namens werknemers
  • Vacacture, namens werkgevers


Samenstelling verantwoordingsorgaan naar geslacht en leeftijd (diversiteitsbeleid)
Ultimo 2014 bestaat het verantwoordingsorgaan uit vier mannen en een vrouw. Deze personen vielen in de volgende leeftijdscategorie:
Tot 40 jaar: 1
40 – 60 jaar: 2
60 +: 2


Benoeming van de vertegenwoor­digers namens de pensioengerechtigden voor het verantwoordings­orgaan vindt plaats door verkiezingen.n.

4.4

Extern toezicht

Het externe toezicht is ondergebracht bij Baker Tilly Berk (waarmerkend accountant) en Triple A Risk Certification B.V. (certificerend actuaris). B&P Performance Group certificeert de Z-score en de beleggingsportefeuille.

4.5

Externe partijen

Bpf HiBiN heeft de pensioenadministratie en het vermogensbeheer uitbesteed. Hieronder volgt een overzicht van de externe partijen waarvan het fonds op structurele basis gebruik maakt:


Pensioenadministratie
Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V.


Fiduciair Beheer en Vermogensbeheer
Lombard Odier, Syntrus Achmea Real Estate & Finance


Custodian en Oversight management
Northern Trust


Certificerend actuaris
Triple A Risk Finance Certification B.V.


Certificering Z-score en beleggings­portefeuill
e B&P Performance Group


Externe accountant
Baker Tilly Berk


Compliance officer
KPMG Risk & Integrity Services B.V., de heer E. Mol


Adviseurs
Het bestuur laat zich, naast het bestuursbureau, bijstaan door externe adviseurs:

  • Adviserend actuaris: AonHewitt
  • Risicomanagement: Montae Bestuurscentrum B.V.
  • Juridisch advies: De Clercq Advocaten & Notarissen.
  • Communicatie: Catapult creatieve communicatie B.V.

Tenminste eenmaal per jaar vindt er een evaluatie­gesprek met de adviseurs plaats. Indien de uitkomsten hiertoe aanleiding geven, kan het bestuur besluiten van adviseur te wijzigen.

4.6

Goed pensioenfondsbestuur (Pension Fund Governance)

Inleiding
De nieuwe regels voor governance en medezeggenschap als vastgelegd in de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, hebben geleid tot aanpassingen in de organisatie van Bpf HiBiN. Deze aanpassingen zijn hiervoor toegelicht in paragraaf 4.1. Daarnaast is de Code Pensioenfondsen per 1 juli 2014 wettelijk verankerd. Naast de organisatie van het pensioenfonds, betreft goed pensioenfondsbestuur ook onderwerpen als bestuurlijke effectiviteit, deskundigheid en het beloningsbeleid.


Bestuurlijke effectiviteit, geschiktheid en deskundigheidsbevordering
Het bestuur bespreekt jaarlijks plenair haar func­tioneren als geheel en het functioneren van ieder individueel bestuurslid en dat van de commissies. Het bestuur betracht minimaal eenmaal in de drie jaar haar geschiktheid extern te toetsen. Deze toets heeft in 2014 vanwege de aanpassingen van het bestuursmodel en de wisselingen in het bestuur nog niet plaatsgevonden. In 2015 zal een uitgebreide toets plaatsvinden onder externe begeleiding.


In 2014 heeft de Pensioenfederatie een Handreiking geschikt pensioenfondsbestuur uitgegeven met normen voor de geschiktheid van bestuursleden. Bpf HiBiN beschikt over een deskundigheidsplan. In dit plan is vastgelegd over welke deskundigheid de individuele bestuursleden en het bestuur als geheel (moeten) beschikken en op welke wijze de deskundigheid wordt bevorderd. Uitgangspunt is dat de bestuursleden over voldoende kennis, inzicht en oordeelsvorming beschikken om hun taken te volbrengen. Ook is er aandacht voor de competenties van de individuele bestuursleden en het bestuur als geheel. In 2015 zal het deskundigheidsplan worden aangepast aan de nieuwe bestuurssamenstelling en de nieuwste inzichten op het gebied van geschiktheid. In het nieuwe geschiktheidsplan zal ook aandacht besteed worden aan de geschiktheid van de raad van toezicht en van het verantwoordingsorgaan. Een opleidingsplan maakt ook deel uit van het deskundigheidsplan. De bestuursleden volgen specifieke pensioenopleidingen en wonen themabijeenkomsten bij van de Pensioenfederatie, DNB, de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en andere partijen. In 2014 heeft het bestuur op individueel en collectief niveau diverse opleidingen gevolgd, waaronder ook een opleiding deskundigheid niveau 2 aan de hand van de eigen fondsdocumenten. Ook het verantwoordingsorgaan heeft hier aan deelgenomen.


Voor 2015 is bepaald dat tijdens de collectieve opleidingen in ieder geval aandacht wordt besteed aan vermogensbeheer en balansmanagement.


Om de kwaliteit van zijn functioneren te kunnen waarborgen werkt Bpf HiBiN met functieprofielen voor bestuursleden, leden van de Raad van Toezicht en leden van het verantwoordingsorgaan. Deze profielen wordt verstrekt aan de voordragende en benoemende organisaties en dienen als leidraad bij de voordracht en benoeming van nieuwe bestuurs­leden. Potentiële kandidaten kunnen zich op basis van het functieprofiel vooraf een volledig beeld vormen van de functie, de gevraagde inzet en deskundigheid, functie-eisen en verantwoor­delijkheden.


Voor 2015 is bepaald dat tijdens de collectieve opleidingen in ieder geval aandacht wordt besteed aan vermogensbeheer en balans­management.


Compliance
Onder compliance wordt het geheel van maatregelen verstaan dat zich richt op de implementatie, handhaving en naleving van externe wet- en regelgeving, alsmede op interne procedures en gedragsregels om te voorkomen dat de reputatie en de integriteit van het pensioenfonds worden aangetast. Bpf HiBiN hecht belang aan een deugdelijk pensioenfonds­bestuur en een goede naleving van interne en externe regels. Het pensioenfonds ziet compliance als een belangrijke schakel in de missie om de belangen van deelnemers optimaal te behartigen. Het pensioen­fonds heeft een gedragscode die wordt nageleefd door de leden van het bestuur, de Raad van Toezicht, het verantwoordingsorgaan, de toehoorders en andere aan het fonds verbonden personen. Doel van deze gedragscode is het stellen van regels en richtlijnen teneinde belangenconflicten tussen het pensioenfonds en betrokkenen in privésituaties te voorkomen. Daarnaast staat in de gedragscode hoe moet worden omgegaan met vertrouwelijke informatie van het pensioenfonds. De gedragscode bevordert de transparantie en zorgt ervoor dat alle betrokkenen, ook voor hun eigen bescherming, duidelijk weten wat wel en niet geoorloofd is. Elke betrokkene verklaart schriftelijk de gedragscode te zullen naleven.


De rol van de compliance officer wordt vervuld door de heer E. Mol van KPMG. De compliance officer beoordeelt jaarlijks de correcte naleving van de gedragscode door alle betrokkenen een vragenlijst te verstrekken en te rapporteren over de naleving. Zijn rapport wordt binnen het bestuur beoordeeld. Waar nodig worden aanvullende maatregelen getroffen. De compliance officer heeft op 31 maart 2015 aan het bestuur zijn bevindingen gerapporteerd. De compliance officer geeft in het rapport over 2014 aan dat de gedragscode is nageleefd.


De voornaamste aanbevelingen zijn het vastleggen van nevenfuncties en het opnieuw beoordelen of bestuursleden of andere betrokkenen wel of geen insider zijn. Nevenfuncties zijn inmiddels vastgelegd en in 2015 wordt door het bestuur nader aandacht geschonken aan het begrip insider.


In 2014 is aan de gedragscode een regeling melding onregelmatigheden (incidentenregeling) en een klokkenluidersregeling toegevoegd. Deze maken duidelijk hoe gedragingen en gebeurtenissen die aan het fonds schade kunnen toebrengen, moeten worden gemeld en hoe deze meldingen worden behandeld. Een klokkenluider zal geen schade ondervinden van het feit dat hij een onregelmatigheid meldt. Als vertrouwenspersoon is de compliance officer benoemd.


Principes voor beheerst beloningsbeleid
Bpf HiBiN onderschrijft de Principes voor beheerst beloningsbeleid. Het doel van deze Principes is ’perverse beloningsprikkels’ bij financiële ondernemingen en pensioenfondsen tegen te gaan.


Het bestuur heeft voor het verslagjaar een beloningsbeleid vastgesteld op basis van de SER normen. Bestuurders, de leden van de deelnemersraad en van het verantwoordingsorgaan ontvingen een variabele vergoeding welke bestond uit een vast bedrag per vergadering en een onkosten- en kilometervergoeding. De Raad van Toezicht ontving vanaf aanstelling per 1 juli een vaste vergoeding.


Naar aanleiding van de wet versterking bestuur pensioenfondsen heeft het bestuur het beloningsbeleid per 1 januari 2015 herzien. Dit beleid is van toepassing op leden van het bestuur, de Raad van Toezicht, het verantwoordingsorgaan en derden aan wie werkzaamheden zijn uitbesteed. Het bestuur heeft hierbij nadrukkelijk gekeken naar objectieve normen, waaronder ook de aanbevelingen van de Pensioenfederatie. Bestuursleden, leden van het verantwoordingsorgaan en de Raad van Toezicht ontvangen een vaste vergoeding per jaar en een kilometervergoeding.

Naar aanleiding van de wet versterking bestuur pensioenfondsen heeft het bestuur het beloningsbeleid per 1 januari 2015 herzien.


Het bestuur zal periodiek het beloningsbeleid evalueren en waar nodig bijstellen. Hierbij neemt het bestuur de ontwikkelingen in de sector en de bedrijfstak in ogenschouw.


De vergoeding voor het bestuur bedraagt in 2014 € 246.427 (2013: € 165.000). Deze vergoedingen bestaan uit vacatiegeld (bestuur, verantwoordingsorgaan en de Raad van Toezicht ), vergoedingen van reis- en verblijfkosten en overige kosten bestuur (o.a. wervingskosten bestuur). Deze kosten zijn gestegen door de implementatie van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen. In dat kader is het bestuur uitgebreid en is een Raad van Toezicht ingesteld.


Code Pensioenfondsen
De Code Pensioenfondsen werkt volgens het ’pas toe of leg uit’-principe. Bpf HiBiN heeft bij de implemen­tatie van de Wet versterking bestuur de Code Pensioen­fondsen meegenomen bij haar besluitvorming en volgt de principes van de Code, maar heeft op enkele punten besloten af te wijken van de Code, namelijk voor wat betreft de stemverhouding, de zelfevaluatie en het beloningsbeleid:

  • Scheve stemverhouding: de Code kent als belangrijk principe bij besluitvorming dat elk bestuurslid stemrecht heeft. Dit is bij Bpf HiBiN eveneens het geval. Echter, indien in een vergadering niet evenveel werkgeversbestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn als bestuursleden namens werknemers/pensioengerechtigden, is er behoefte aan een ’gewogen stemverhouding’ om recht te blijven doen aan het uitgangspunt van paritair samengesteld bestuur. Door de gewogen stemverhouding hebben de werkgeversleden in deze situatie evenveel ’stemkracht’ als de bestuursleden die de werknemers/pensioengerechtigden vertegenwoordigen.
  • Jaarlijkse zelfevaluatie bestuur: de Code geeft aan dat er minimaal eens per twee jaar een zelf­evaluatie dient plaats te vinden onder begeleiding van een externe partij. Het beleid van het fonds is tot op heden dit eenmaal per drie jaar te doen. Het bestuur zal in 2015 heroverwegen dit tweejaarlijks te doen en hiermee te voldoen aan de Code.
  • Het beloningsbeleid is niet van toepassing op de directeur van het bestuursbureau als medebeleidsbepaler. Met de directeur is een aparte management overeenkomst gesloten voor een bepaalde periode, welke eind 2015 afloopt. In deze overeenkomst is er geen sprake van prestatie gerelateerde beloning.


Diversiteitsbeleid

De Code Pensioenfondsen stelt kwantitatieve normen aan de samenstelling van het bestuur en het verantwoordingsorgaan. In elk orgaan moeten zowel mannen als vrouwen plaats hebben en zowel personen onder als boven de 40 jaar.


Het bestuur sluit met haar diversiteitsbeleid aan bij de Code Pensioenfondsen en streeft ernaar dit beleid ook (indien mogelijk) toe te passen op de samenstelling van de Raad van Toezicht.


De samenstelling van het bestuur en het verantwoordingsorgaan van Bpf HiBiN in het verslagjaar voldoet aan de normen met betrekking tot de samenstelling man/vrouw en hebben een lid dat jonger is dan 40 jaar. Dit is bij het aantreden van de Raad van Toezicht per 1 juli 2014 niet het geval.


4.7

Ontwikkelingen Bpf HiBiN in 2014

Fiscale regelgeving leidt tot wijziging van de regeling in 2014
Per 1 januari 2014 zijn de fiscale grenzen veranderd die gelden voor de opbouw van pensioen.


Ondanks de invoering van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd hebben de sociale partners ervoor gekozen om de pensioenleeftijd in de pen­sioenregeling nog niet te verhogen naar 67 jaar. De pensioenleeftijd bij Bpf HiBiN is daarom in 2014 65 jaar gebleven. Daarbij is er gekozen om de pensioen­regeling eenvoudiger te maken en wordt er vanaf 1 januari 2014 gewerkt met één pensioengrondslag (voorheen 2: pensioengrondslag A en B) en het maximum salaris vast te stellen op € 41.520.


De franchise is per 1 januari 2014 ongewijzigd gebleven en bedroeg € 11.919.


Het fiscaal maximale opbouwpercentage voor een middelloonregeling is verlaagd per 1 januari 2014 van 2,25% naar 2,15%. Het opbouwpercentage in de pensioenregeling van Bpf HiBiN bleef echter 2% per dienstjaar. Binnen de pensioenregeling is hier fiscale ruimte voor, onder andere door de wijze van verzekering van het partnerpensioen (op risico basis). Uiteraard is hier afstemming gezocht met de belastingdienst en voor 2014 heeft Bpf HiBiN dan ook fiscale goedkeuring ontvangen.


Meer informatie over de pensioenregeling in 2014 is te vinden in hoofdstuk 2 van dit jaarverslag.


Nieuwe regels voor governance en medezeggenschap in 2014
Per 1 juli 2014 zijn nieuwe wettelijke regels van kracht geworden voor de governance en medezeggenschap van pensioenfondsen. Pensioenfondsen kregen hierbij de keuze uit verschillende bestuursmodellen. Pensioengerechtigden kregen een vertegenwoor­diging in het bestuur.


De gevolgen hiervan voor ons fonds kunt u lezen in paragraaf 4.1.

Per 1 juli 2014 zijn nieuwe wettelijke regels van kracht geworden voor de governance en medezeggenschap van pensioenfondsen.

Bestuurssamenstelling in 2014
Het bestuur werd in de zomer verrast door het plotselinge terugtreden van de voorzitter, de heer G. Mantel. Daarmee ontstond een vacature aan werkgeverszijde, waardoor de vice voorzitter, de heer C. Lonsain de voorzittersrol overnam. De heer Lonsain is naast bestuurslid bij Bpf HiBiN ook bestuurslid bij een viertal andere pensioenfondsen. DNB hanteert de stelregel dat men voor het besturen van een middelgroot pensioenfonds – zoals Bpf HiBiN - minimaal één dag per week beschikbaar dient te zijn. Met in totaal vijf pensioenfondsen is daarmee de maximaal toelaatbare werkbelasting voor de heer Lonsain bereikt. Omdat het voorzitterschap minimaal anderhalve dag per week vergt, ontstond hierdoor een overschrijding van het door DNB vastgestelde maximum. Gelet op de bijzondere situatie bij Bpf HiBiN (er waren binnen het bestuur geen andere kandidaten voor het voorzitterschap), heeft DNB toegestaan dat de heer Lonsain tijdelijk het voorzitterschap op zich zou nemen. Deze situatie had eigenlijk per 1 januari 2015 opgelost moeten zijn, maar wegens het gebrek aan geschikte kandidaten aan werkgeverszijde duurt een en ander langer dan voorzien.

Het vinden van een kandidaat voor de vacature voor het voorzitterschap blijkt namelijk voor de werkgeversgeleding geen eenvoudige zaak te zijn. Met de werkgeversorganisatie wordt dan ook nauw contact gehouden voor de invulling van deze zetel. Daarnaast werd eind 2014 duidelijk dat gedurende 2015 mogelijk nog een werkgeversbestuurslid uit het bestuur zou terugtreden. Het streven is om in de zomer 2015 beide zetels in te vullen en weer een voorzitter te hebben.


Pensioenadministratie
Het bestuur heeft in het verslagjaar veel aandacht besteed aan de processen, evaluatie van beleid, de datakwaliteit van de pensioenadministratie en het verbeteren van de informatie- en communicatie­stromen. Er is eveneens gestart met contracts- onderhandelingen in verband met het aflopen van het contract per 31 december 2013. In het verslagjaar is echter nog niet tot een contractverlenging gekomen.


Integraal risicomanagement
Het bestuur heeft eind 2013 en begin 2014 een uitgebreide risico inventarisatie gedaan en een risicoraamwerk vastgesteld. Hierover leest u in hoofdstuk 5 meer.


Evaluatie organisatie en inrichting vermogensbeheer
Het bestuur is gestart met een eerste evaluatie van de organisatie en inrichting van het vermogensbeheer en beleggingsbeleid. De voorlopige eerste conclusie is dat de organisatie eenvoudiger en naar verwachting ook tegen lagere kosten kan worden ingericht. Deze evaluatie wordt in 2015 diepgaander uitgevoerd op basis waarvan het bestuur mogelijke wijzigingen zal doorvoeren.


Handhaving van de verplichtstelling
Bpf HiBiN heeft de wettelijke taak een goede en betaalbare pensioenregeling te realiseren voor alle werknemers werkzaam bij een werkgever waarvan de bedrijfsactiviteiten onder de reikwijdte van de verplichtstelling vallen. Het realiseren van een goede en betaalbare pensioenregeling hangt samen met de solidariteit en het schaalvoordeel dat het verplichtstellen van deelname aan een pensioenregeling creëert. Voorwaarde is wel dat alle werkgevers die onder de reikwijdte van de verplichtstelling vallen ook daadwerkelijk zijn aangesloten. Werkgevers zijn verplicht te onderzoeken of zij verplicht zijn aan te sluiten. Het is de taak van het fonds zeker te stellen dat alle werkgevers ook daadwerkelijk zijn aangesloten: het fonds dient de verplichtstelling te handhaven.

In 2014 zijn de verschillende risico­analyses uitgevoerd, is specifiek beleid opgesteld en zijn voorberei­dingen getroffen om het traject de komende jaren goed te laten verlopen.

In het kader van handhaving heeft het bestuur onderzoek gedaan. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek – een aanzienlijk aantal (mogelijk) onterecht niet aangesloten werkgevers – heeft het bestuur in 2014 het Traject ’handhaving verplichtstelling’ gestart. Het doel van het Traject is (het al dan niet met terugwerkende kracht) aansluiten van werkgevers die onder de reikwijdte van de verplichtstelling vallen. Het niet aangesloten zijn van deze werkgevers heeft namelijk niet alleen gevolgen voor de solidariteit en het schaalvoordeel maar brengt ook risico’s met zich wanneer werknemers waarvoor geen premie is afgedragen in de toekomst pensioen zouden claimen. De omvang van het Traject is dermate dat een zorgvuldige uitvoering (het aanschrijven van de mogelijk onterecht niet aangesloten werkgevers) en afronding (het aansluiten, beoordelen van vrijstellingsverzoeken dan wel bezwaren) naar verwachting meerdere jaren in beslag zal nemen.


In 2014 zijn de verschillende risicoanalyses uitgevoerd, is specifiek beleid opgesteld en zijn voorbereidingen getroffen om het Traject de komende jaren goed te laten verlopen. Zo is een geautomatiseerd werkgevers­portaal gerealiseerd waar werkgevers documenten kunnen uploaden en de vragenlijst kunnen invullen. Daarnaast is - in overleg met de sociale partners - een toelichting op de verplichtstelling opgesteld. Ook heeft het fonds ter verduidelijking het beleid omtrent vrijstellingen uitgeschreven, een bouwmaterialenlijst opgesteld alsook een informatieve brochure gedrukt en meest gestelde vragenlijst gepubliceerd op de website. Op deze wijze draagt het fonds zorg voor een consistente aanpak, beoordeling en verwerking van gegevens, welke ook na het einde van het Traject bijdraagt aan de dienstverlening van het fonds en een beperking van de kosten.


Feit blijft dat het opzetten en opstarten van het Traject ’handhaving verplichtstelling’ in 2014 de kosten van het fonds heeft doen toenemen. De toename is evenwel gerechtvaardigd gezien de algemene investering in de toekomst (de investeringen zijn algemeen bruikbaar en toekomstbestendig) en gerechtvaardigd gezien het risico dat het fonds zou lopen indien zij de verplichtstelling niet zou handhaven.


Kostenopslag voorziening pensioenverplichtingen
Op grond van de Pensioenwet dient een pensioenfonds zijn pensioenverplichtingen op marktwaarde te waarderen waarbij prudentie wordt betracht. Uitgangspunt daarbij is dat een vermogen ter grootte van de voorziening pensioenverplichtingen voldoende is om de opgebouwde pensioenen zelfstandig te kunnen afwikkelen na het onverhoopt wegvallen van de aangesloten ondernemingen. Dat betekent dat er ook een voorziening voor kosten gevormd moet worden ter dekking van de toekomstige uitvoeringskosten, er vanuit gaande dat er geen premie meer binnenkomt. Het fonds had hiervoor een opslag op de voorziening gelegd ter grootte van 2%. Deze opslag is op basis van een nieuwe analyse voor 2014 verhoogd naar 2,6%.


Sterftetabel
Het pensioenfonds houdt bij het berekenen van haar pensioenverplichtingen rekening met de levensverwachting van haar deelnemers. Het fonds maakt daarbij gebruik van de sterftetabellen die worden gepubliceerd door het Actuarieel Genootschap. In 2014 is Bpf HiBiN voor het berekenen van de pensioenverplichtingen overgestapt van de AG Prognosetafel 2012 naar de meest recente AG Prognosetafel 2014.


Nieuwe fiscale regels en een nieuw financieel toetsingskader in 2015
Het bestuur heeft zich in 2014 voorbereid op de gevolgen van veranderingen in de regelgeving rondom pensioenen per 2015. In 2015 gelden opnieuw nieuwe fiscale regels voor pensioenen. De maximale pensioenopbouw wordt verder verlaagd. Bovendien heeft de Eerste Kamer in december 2014 de Wet aanpassing financieel toetsingskader aangenomen. In deze wet zijn nieuwe financiële spelregels vast­gelegd voor pensioenfondsen die vanaf 1 januari 2015 gelden. Zo moeten pensioenfondsen een andere rekenrente hanteren om de verplichtingen vast te stellen en gelden strengere voorwaarden om de opgebouwde en ingegane pensioenen te indexeren.


Deze wijzigingen hebben gevolgen voor de pensioenregeling die de werkgevers- en werknemersorganisa­ties zijn overeengekomen en door het fonds wordt uitgevoerd.


Wijzigingen in de regeling per 2015
Voor 2015 zijn enkele wijzigingen doorgevoerd in de pensioenregeling; deze wijzigingen zijn nodig om in 2015 te voldoen aan de fiscale regels. De pensioenrichtleeftijd is verhoogd naar de eerste van de maand volgend op de maand waarin de 67-jarige leeftijd wordt bereikt. De nabestaandenpensioenen zijn op risicobasis verzekerd, het partnerpensioen voor pensioendatum wordt 60% van het te bereiken ouderdomspensioen. Dit is een versobering ten opzichte van de situatie in het verslagjaar. Vanaf 1 januari 2015 heeft het bestuur besloten om de indexatie voor alle deelnemers te baseren op de prijsinflatie.


Conversie van aanspraken per 1 januari 2015
In aansluiting op de nieuwe pensioenrichtleeftijd van 67 jaar voor nieuw op te bouwen aanspraken, heeft het bestuur besloten alle reglementaire pensioenaanspraken op ouderdomspensioen die deelnemers tot en met 31 december 2014 hebben verworven met een pensioenrichtleeftijd van 65 jaar, per 1 januari 2015 om te zetten naar aanspraken met pensioenrichtleeftijd 67 jaar. Dit omrekenen gebeurt met een uniforme (actuarieel neutrale) omzettingsfactor. Door de hogere pensioenrichtleeftijd worden de aanspraken hoger. Daarnaast zijn ook de premievrije aanspraken op (tijdelijk) prepensioen actuarieel neutraal omgezet naar een levenslang ouderdomspensioen met pensioenrichtleeftijd 67 jaar. Deelnemers kunnen ervoor kiezen hun pensioen eerder te laten ingaan; de aanspraken worden dan actuarieel herrekend.


Contacten met de toezichthouder
Autoriteit Financiële Markten (’AFM’)
In het verslagjaar zijn er geen contacten geweest met de AFM.


De Nederlandsche Bank (’DNB’)
Het bestuur heeft diverse contactmomenten gehad met De Nederlandsche Bank (DNB). De reguliere contacten betroffen met name de rapportagestromen en de sectorbrede self assessment ’belangen­verstrengeling’, welke bestond uit het invullen van een vragenlijst.


De toezichthouder kijkt mee naar de organisatie van het vermogens­beheer en de wijze waarop het bestuur dit vorm zal geven in de loop van 2015.


Daarnaast heeft het bestuur, op verzoek van DNB, meerdere contactmomenten gehad over de onderwerpen bestuurssamenstelling, pensioenadministratie, organisatie vermogensbeheer en het traject handhaving verplichtstelling. Naast het aanmelden van nieuwe bestuursleden en de daarbij behorende toetsingsgesprekken heeft het bestuur de toezichthouder doorlopend op de hoogte gehouden van de vorderingen van de invulling van de vacature in het bestuur, de aanpak voor het aanschrijven van werkgevers die mogelijk onder de verplichtstelling vallen en de wijze waarop het bestuur grip heeft op de pensioenadministrateur. Voor het traject hand­having en verplichtstelling is een plan van aanpak en risicoanalyse ingediend. Ook kijkt de toezichthouder mee naar de organisatie van het vermogensbeheer en de wijze waarop het bestuur dit vorm zal geven in de loop van 2015.


Het bestuur heeft, op verzoek van DNB, op 29 september 2014 een gesprek gehad over genoemde onderwerpen. In dit gesprek heeft DNB voornamelijk eisen gesteld aan de bestuurssamenstelling en de invulling van de vacante zetels.


4.8

Gebeurtenissen na balansdatum (2015)

Nieuw Financieel toetsingskader
Per 1 januari 2015 is op pensioenfondsen het nieuwe Financieel Toetsingskader (nFTK) van toepassing geworden. Bpf HiBiN is al per 1 januari 2015 overgestapt op het nieuwe FTK. Ten aanzien van de premie is gekozen voor de methode van premiedemping op basis van verwacht fondsrendement. Op basis van de rente per 31 oktober 2014 gebaseerd op de destijds verwachte nieuwe Ultimate Forward Rate (UFR) is de rekenrente voor de premie voor de jaren 2015 tot en met 2019 vastgesteld op 2,5% per jaar.


De gevolgen voor de berekening van de dekkingsgraad zijn beperkt, het driemaands gemiddelde is eraf, de dekkingsgraad wordt bij het nFTK berekend over de UFR rente curve zonder driemaands gemiddelde. Wel nieuw is de beleidsdekkingsgraad, deze betreft de gemiddelde dekkingsgraad over de laatste 12 maandeinden. Het nFTK heeft wel gevolgen voor het reservetekort. Ultimo 2014 bedraagt het vereist eigen vermogen op basis van het strategische beleggingsbeleid 110,3%. Onder de regels van het nFTK is dat 114,2% geworden. Er is op grond van de nieuwe regels dus een fors hogere buffer vereist. Hierdoor komt het fonds onder de nieuwe regels in reservetekort en dient er voor 1 juli 2015 een (lange) termijn herstelplan ingediend te worden. De melding hiervoor aan DNB heeft conform vereisten in het eerste kwartaal aan DNB plaatsgevonden.


In 2015 is er een aantal acties uitgezet teneinde binnen de door de wetgever gestelde termijnen aan de eisen van het nieuw financieel toetsingskader te voldoen. Ten tijde van dit schrijven waren het nieuwe premie-, kortingen- en toeslagenbeleid al bekend. Het beleggingsbeleid wordt in dit kader nader bekeken.


Risicobereidheidsonderzoek
In januari 2015 is er een risicobereidheidsonderzoek uitgevoerd onder de deelnemers, het bestuur en de leden van het verantwoordingsorgaan om inzicht te krijgen in de wensen en voorkeuren van de deelnemers van Bpf HiBiN ten aanzien van onder andere financiële en beleggingsrisico’s, rendementen, kans op indexatie en kans op korten.


Het bestuur heeft een enquête (door middel van een online vragenlijst) uitgezet onder deelnemers van Bpf HiBiN. In totaal hebben 565 deelnemers, 7 bestuursleden en 5 leden van het verantwoordingsorgaan deelgenomen aan de enquête. De steekproef is hiermee voldoende groot, echter de groep is onvoldoende representatief voor alle groepen deelnemers van Bpf HiBiN. De enquête is beantwoord door een relatief laag aantal gewezen deelnemers en een relatief groot aantal gepensioneerden, terwijl het deelnemersbestand juist een groot aantal gewezen deelnemers bevat. Maar de uitkomsten geven richting aan de risicohouding van deelnemers.


Samengevat zijn de resultaten van de enquête voor wat betreft risicobereidheid weergegeven in onderstaande tabel.


Wet pensioencommunicatie
In 2014 is een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer over pensioencommunicatie. Het doel van het voorstel is de communicatie met deelnemers en gepensioneerden te verbeteren en zo het vertrouwen in pensioenfondsen te herstellen. Communicatie gebaseerd op de bestaande wettelijke informatieverplichtingen blijkt onvoldoende begrijpelijk, het taalgebruik te lastig en de hoeveelheid informatie te weinig doelgericht. Daarnaast geeft het pensioen­fondsen meer mogelijkheden om digitaal te communiceren. Het bestuur streeft er naar zo snel mogelijk de mailadressen van de deelnemers te verzamelen, om ook daadwerkelijk meer digitaal te gaan communiceren. De communicatiecommissie is daar inmiddels mee gestart. In 2015 zal worden gestart met de implementatie van de nieuwe wetgeving.


Ontwikkelingen binnen het bestuur en het bestuursbureau
Bestuurssamenstelling
In het begin van 2015 is - buiten het werkterrein van het pensioenfonds - een zakelijk geschil ontstaan tussen twee bestuursleden wat gevolgen heeft gehad voor de verhoudingen aan de bestuurstafel. Dit geschil is helaas onoverbrugbaar gebleken en heeft in juni 2015 geleid tot het besluit dat beide bestuursleden het bestuur op korte termijn zullen verlaten. Voor een bestuurslid was dit om andere redenen al aan de orde. Het gevolg is wel dat ook ná de invulling van de twee reeds bekende vacante zetels, het bestuur niet voltallig is.


Bestuursbureau
Door de inwerkingtreding van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, heeft het bestuur voor een paritair model met commissiestructuur gekozen. Dit is in 2014 in gang gezet en wordt in 2015 verder geëffectueerd. In 2015 is het aantal commissies uitgebreid. Om deze commissies en het project handhaving verplichtstelling goed te kunnen ondersteunen zal ook de organisatie van het bestuurs­bureau moeten worden uitgebreid.


Verwachtingen
In de pensioensector is al enige tijd sprake van het samengaan van pensioenfondsen. Op deze wijze wordt geprobeerd pensioenfondsen krachtiger, efficiënter en daardoor toekomstbestendiger te maken. Ook Bpf HiBiN zoekt naar dergelijke mogelijkheden. De werkgeversorganisaties VVNH (Hout) en Koninklijke Hibin (Bouwmaterialen) hebben aangekondigd samen te willen gaan. In deze fusie acht men ook het samengaan van de betrokken pensioenfondsen wenselijk. Bovendien hebben de sociale partners (werkgeversorganisaties en vakbonden) gesteld dat het samengaan van alleen Bpf Houthandel en Bpf HiBiN nog onvoldoende schaalgrootte zal brengen. Daarom zal ook worden gezocht naar andere partijen om tot de gewenste omvang te komen.


Het bestuur zal deze intenties van sociale partners te zijner tijd meewegen in eventuele besluitvorming aangaande de toekomst van het fonds.

In de pensioensector is al enige tijd sprake van het samengaan van pensioenfondsen. Op deze wijze wordt geprobeerd pensioenfondsen krachtiger, efficiënter en daardoor toekomstbestendiger te maken.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

bekijk de
samenvatting

 

5Financiële situatie en indexatie

5.1

Financiële doelstelling

De voornaamste financiële doelstellingen van het pensioenfonds zijn:

  • Het waarborgen van de opbouw van de pensioenaanspraken overeenkomstig de in het reglement vastgelegde bepalingen;
  • Het waarborgen van voldoende middelen voor het kunnen doen van de reglementair te verstrekken pensioenuitkeringen;
  • Het minimaliseren van de kansen op een dekkings- en reservetekort, alsmede van de mate van dekkings- en reservetekort;
  • Het, onder de hiervoor genoemde doelstellingen/ voorwaarden, maximaliseren van het beleggingsrendement om de voorwaardelijke toeslagen te kunnen realiseren.

5.2

Lange en korte termijn herstel

De dekkingsgraad is een indicator voor de vermogens­positie van een pensioenfonds. Het is de mate waarin een pensioenfonds nu voldoende vermogen heeft om pensioenen in de komende jaren te kunnen betalen. Bij een dekkingsgraad van 100% heeft het pensioenfonds precies genoeg vermogen om toekomstige pensioenverplichtingen te betalen, maar heeft het geen buffer om financiële tegenslagen op te kunnen vangen en kan het niet indexeren.


In 2008 raakte Bpf HiBiN in een dekkingstekort. Op 31 december 2008 was de dekkingsgraad 91,6%. Daarom moest Bpf HiBiN een herstelplan opstellen. Op korte termijn moest de dekkingsgraad hersteld worden naar het wettelijk minimaal niveau, namelijk 105,0%. Einddatum van het korte termijn herstelplan was 31 december 2013. Op de lange termijn moest de dekkingsgraad herstellen naar het vereiste niveau van 111,5%. De einddatum voor het lange termijn­herstelplan is 31 december 2023.


Het nieuwe financieel toetsingskader is erop gericht dat risico’s van pensioenfondsen adequaat worden beheerd en beheerst. Een pensioenfonds moet op elk moment genoeg bezittingen hebben om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Daarnaast moet er een extra buffer aan eigen vermogen, het vereist eigen vermogen, aanwezig zijn om eventuele negatieve ontwikkelingen op de financiële markten op te kunnen vangen. De aan te houden buffer op basis van de feitelijke portefeuille hangt af van het risicoprofiel en de beleggingsportefeuille en bedroeg voor Bpf HiBiN eind 2014 10,3%.


Heeft Bpf HiBiN een dekkingstekort of reservetekort?
Als een pensioenfonds te weinig eigen vermogen heeft, dan is er sprake van een dekkingstekort of reservetekort. Risico’s kunnen onvoldoende opgevangen worden, en er kan niet worden geïndexeerd (meegroeien met de inflatie).


Bpf HiBiN heeft geen dekkingstekort
Bij een dekkingstekort is het eigen vermogen van Bpf HiBiN lager dan € 30.914.000 of is de dekkingsgraad lager dan 104,8%. Bpf HiBiN had eind 2014 geen dekkingstekort, omdat het eigen vermogen € 77.913.000 bedroeg. De dekkingsgraad was 112,0%.


Bpf HiBiN heeft eind 2014 geen reservetekort, maar in 2015 wel
Bij een reservetekort is het eigen vermogen lager dan het bedrag dat nodig is om financiële tegenslagen te kunnen opvangen. Op basis van de regels die gelden in 2014 is er geen sprake van een reservetekort. Het langetermijn herstelplan was op 31 december 2014 nog wel van kracht, omdat dit doorloopt tot het pensioenfonds drie kwartaaleinden uit het reservetekort is.


Het nieuwe financieel toetsings­kader is erop gericht dat risico’s van pensioenfondsen adequaat worden beheerd en beheerst


Echter op 1 januari 2015 is het nieuwe financieel toetsingskader (FTK) van kracht geworden. Hiermee zijn alle bestaande herstelplannen komen te vervallen. Onder het nieuwe FTK worden andere eisen gesteld omtrent de waardering van de verplichtingen en de bepaling van de dekkingsgraad en de toeslagverlening. Hierdoor zal het vereist eigen vermogen stijgen, waardoor Bpf HiBiN per 1 januari 2015 weer in een reservetekort komt. Bpf HiBiN zal daarom voor 1 juli 2015 een nieuw herstelplan moeten indienen bij DNB. Meer informatie over het nieuwe FTK is te vinden in paragraaf 4.7, Gebeurtenissen na balansdatum. Elk jaar evalueert Bpf HiBiN hoe het herstel zich ontwikkelt.


5.3

De indexatieambitie

De indexatie (ook wel toeslag of toeslagverlening genoemd) en mate van indexatie hangt af van de dekkingsgraad van Bpf HiBiN. Bij een dekkingsgraad tussen 104,8% en 110,3% kan gedeeltelijke indexatie toegekend worden. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met het feit dat door de (voorwaardelijke) indexering de dekkingsgraad niet onder de 104,8% raakt.


Een dekkingsgraad van 104,8% is de minimale vereiste dekkingsgraad om te kunnen indexeren (gedeeltelijk). Bij een dekkingsgraad boven 110,3% wordt in beginsel volledig geïndexeerd.


Eind 2014 is de vereiste dekkingsgraad 110,3%. Bij deze dekkingsgraad heeft Bpf HiBiN een eigen vermogen om met 97,5% zekerheid te kunnen zeggen dat het binnen een jaar nog over meer waarden beschikt dan de technische voorziening. De technische voorziening is het bedrag dat nodig is om aan alle verplichtingen te voldoen.


Indexatiebeleid in 2014
Het gevoerde indexatiebeleid is een beleidsmaat­regel van het bestuur. Het bestuur heeft de mogelijkheid om hiervan af te wijken.


Eind oktober 2014 bedraagt de dekkingsgraad van Bpf HiBiN 109,7% en zou het bestuur eventueel een indexatie kunnen verlenen gezien het geldende beleid. Onder het nieuwe FTK worden de mogelijkheden tot toeslagverlening echter gebaseerd op de zogenoemde beleidsdekkingsgraad en geldt er een minimale dekkingsgraad van 110% alvorens er indexatie gegeven mag worden. De beleidsdekkingsgraad is gelijk aan de gemiddelde dekkingsgraad over de achterliggende 12 maand(eind)en. In 2015 geldt hierbij dat de dekkingsgraden in de betreffende maanden van 2014 gelijk gesteld worden aan de dekkingsgraden op de kwartaaleinden. De beleidsdekkingsgraad voor Bpf HiBiN is per 1 januari daarmee 111,7%. Bij een beleidsdekkingsgraad van 110% mag dus 0% (ofwel geen) van de indexatiemaatstaf aan indexatie worden gegeven. Bij een beleidsdekkingsgraad van 111,7% mag dan 10,1% van de maatstaf worden gegeven, dat zou dan neerkomen op afgerond 0,06% indexatie. Gezien de beperktheid van deze indexatie en gelet op de grote onzekerheid die er momenteel is omtrent de ontwikkeling van de beleidsdekkingsgraad gedurende 2015 heeft het bestuur besloten om per 1 januari 2015 geen verhoging toe te kennen. Gevolg is dat de pensioenrechten van pensioengerechtigden en gewezen deelnemers 10,75% achter blijven bij de ambitie van Bpf HiBiN vanaf 2009. In 2008 heeft voor het laatst indexatie plaatsgevonden. Ook de voorwaardelijke indexatie voor actieve deelnemers (werkenden), die gebaseerd wordt op de loonindex van de bedrijfstak, kon vanaf 2008 niet toegekend worden. Deze bleef daarmee 6,95% achter op de ambitie vanaf 2008. In 2007 heeft voor deze groep voor het laatst indexatie plaatsgevonden.


Indexatie onder het nieuwe Financieel Toetsingskader
Onder het nieuwe Financieel Toetsingskader (nFTK) mag er slechts geïndexeerd worden voor zover er voldoende middelen beschikbaar zijn om dit structureel te kunnen doen. Bij een verwachte gemiddelde volledige toeslagverlening van 2% per jaar betekent dit dat de volledige maatstaf mag worden toegekend bij een dekkingsgraad van naar schatting 126,8%. Voortaan mag bij een dekkingsgraad beneden 110% geen toeslag meer verleend worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

bekijk de
samenvatting

 

6Solvabiliteit en integraal risicomanagement

Tot en met 31 december 2013 had Ondernemingspensioenfonds KPN de tijd om weer te voldoen aan de minimale financiële eisen uit het kortetermijnherstelplan. Ondanks de lichte terugval van de dekkingsgraad in juni, liet de dekkingsgraad in 2013 een stijging zien. Aan het eind van het jaar was de dekkingsgraad met 112,4% ruim hoger dan de vereiste 104,2%. Dankzij dit goede resultaat konden we de pensioenen in 2014 voor het eerst in jaren verhogen. De dekkingsgraad van eind 2013 betekent ook dat het kortetermijnherstelplan zonder aanvullende maatregelen als beëindigd kan worden beschouwd.

6.1

Solvabiliteit

De solvabiliteit geeft inzicht in het eigen vermogen van een pensioenfonds en de mate waarin zij bestand is tegen financiële en niet-financiële risico’s. Financiële risico’s zijn bijvoorbeeld de rente, de waardeontwikkeling van aandelen en vastgoed en verzekeringstechnische situaties zoals overlijden en arbeidsongeschiktheid. Ook niet-financiële risico’s kunnen van invloed zijn op de doelstellingen van Bpf HiBiN. Voorbeelden hiervan zijn uitvallende systemen van de pensioenuitvoerder zodat uitkeringen niet gedaan kunnen worden of dat afgesproken processen niet juist gevolgd worden. Het bestuur kijkt integraal naar zowel financiële als niet-financiële risico’s en de onderlinge samenhang hiertussen.


6.2

Integraal risicomanagement

Integraal risicomanagement is het proces waarmee richting wordt gegeven aan de risicobeheersing en geldt als basis voor het besluitvormingsproces van het bestuur van Bpf HiBiN. Het integraal risicomanagement van Bpf HiBiN richt zich op drie aspecten:

  • De doelstellingen van Bpf HiBiN
  • De activiteiten om de doelstellingen te realiseren
  • De (risico)cultuur

Risicoraamwerk

Het bestuur is in 2013 gestart met het opzetten en vastleggen van een risicoraamwerk.


Dit raamwerk bestaat uit de volgende componenten:

  • De risicostrategie: welke risicostrategie hanteert het fonds om haar doelstellingen te bereiken en wat is de risicobereidheid? Missie en visie van het fonds zijn gedefinieerd.
  • Governance rondom risicomanagement: hoe is risico­management binnen het fonds georganiseerd en hoe neemt het bestuur haar verantwoordelijkheid?
  • Risicobeleid: zijn alle gedefinieerde risico’s uitgeschreven in beleid en zijn tolerantiegrenzen gedefinieerd?
  • Risicomanagement processen: is er een proces om jaarlijks te evalueren en bij te sturen?
  • Informatie: hoe wordt het risicobeleid gemonitord en geëvalueerd?

Binnen dit risicoraamwerk heeft het bestuur bepaald in welke ontwikkelingsfase zij zich bevindt en wat het ambitieniveau is. Het bestuur wenst op een geformaliseerde en gestructureerde wijze om te gaan met risico’s en de beheersing hiervan en heeft daarom een aantal stappen gedefinieerd om integraal risicomanagement verder in te bedden in de bestuurlijke organisatie van Bpf HiBiN.


Risicoanalyse

Eind 2013 heeft het bestuur een uitgebreide risico-inventarisatie uitgevoerd. Hierin is gekeken naar de kans dat het risico zich voordoet en wat de impact is op het behalen van de doelstellingen van Bpf HiBiN. De bestaande beheersmaatregelen zijn in kaart gebracht. Daar waar de risico’s zich buiten de tolerantiegrenzen van het bestuur bevonden, zijn aanvullende maatregelen vastgesteld. Het bestuur heeft de uitkomsten gevalideerd en geprioriteerd en vervolgstappen en actiepunten vastgelegd in een implementatieplan. Dit implementatieplan is 2014 en begin 2015 verder ter hand genomen. In 2015 zal er een update plaatsvinden van de risicoanalyse en in de verschillende commissies worden de risico’s in continuïteit gemonitord en besproken.


Bpf HiBiN hanteert voor het in kaart brengen van de risico-omgeving als basis de Financiële Instellingen Risicoanalyse Methode (FIRM) zoals gedefinieerd door De Nederlandsche Bank, aangevuld met pensioenfonds specifieke risico’s. De risico’s worden nader beschreven in hoofdstuk 7, paragraaf 2.


 

 

 

bekijk de
samenvatting

 

7Beleggingen

Kenmerkend voor 2014 was de invloed van het beleid van de centrale banken op financiële markten, waardoor én de rente tot historisch lage niveaus kon dalen én aandelenkoersen tot recordhoogtes konden stijgen. Door uiteenlopende economische ontwikkelingen hanteerden de centrale banken in de belangrijkste regio’s (Amerika, Japan en Europa) een afwijkend financieel beleid.

Mede doordat beleggers inspeelden op het stimuleringsbeleid van centrale banken en door de lage (en verder afnemende) inflatie, daalde de rente in vrijwel alle regio’s tot historisch lage niveaus. Dit had forse koersstijgingen van obligaties tot gevolg. Gedreven door de lage effectieve rente op obligaties, brachten beleggers hun geld liever onder in risicodragende beleggingen met een hogere rendementsverwachting. Als gevolg hiervan stegen wereldwijd onder andere de aandelenkoersen, soms tot historisch hoge niveaus.

7.2

Strategisch beleggingsbeleid

Het strategisch beleggingsbeleid wordt vastgesteld op basis van een Asset Liability Management (ALM) studie. Een ALM studie heeft als doel om pensioenfondsen inzicht te geven in de gevolgen van beleidskeuzes.


Het bestuur beschikt hierbij over de volgende sturingsinstrumenten:

  • Premiebeleid
  • Toeslagbeleid
  • Beleggingsbeleid

De beleggingsportefeuille van Bpf HiBiN is opgedeeld in een matchingportefeuille en een returnportefeuille. Met de matchingportefeuille wordt getracht zoveel mogelijk de ontwikkeling van de nominale verplichtingen te volgen. Met de returnportefeuille wordt getracht extra rendement te behalen voor het kunnen voldoen aan de indexatie-ambitie.


De invulling van de beleggingsportefeuille in 2014 is, rekening houdend met de gematigde economische vooruitzichten, in onderstaande tabel weergegeven.



Derivaten

Bpf HiBiN belegt binnen zowel de matching- als de returnportefeuille in derivaten. Dit zijn producten die hun waarde ontlenen aan een ander, onderliggend, product. Bpf HiBiN gebruikt derivaten alleen om risico’s te reduceren en te beheersen. Zo wordt het renterisico ten opzichte van de verplichtingen gereduceerd met onder andere renteswaps en wordt het valutarisico afgedekt met valutater­mijncontracten.


Bpf HiBiN belegt binnen zowel de matching- als de returnportefeuille in derivaten.


Renterisico

Bpf HiBiN heeft de renteafdekking gerealiseerd door een vrijwel identiek looptijdprofiel als dat van de verplichtingen te simuleren. Er wordt gebruik gemaakt van fysieke (zero coupon) obligaties en diverse renteswaps. Door het gebruik van deze renteswaps kan met aanzienlijk minder geïnvesteerd vermogen toch een 62% afdekking van het volume van de technische voorzieningen plaatsvinden. Dit is het gevolg van het feit dat er binnen renteswaps impliciet kort geld wordt geleend en in lang papier wordt belegd. Door het gebruik van deze techniek is het mogelijk geweest om ook een relatief grote returnportefeuille aan te houden.



Ten opzichte van 2013 is afscheid genomen van beleggingen in grondstoffen vanwege de langdurig slechte resultaten. Op basis van een ALM studie uitgevoerd in 2013 heeft het bestuur besloten de rente afdekking te verlagen van 70% naar 62%.


In 2015 wordt wederom een ALM studie uitgevoerd in het kader van het nFTK.


Eind 2014 is besloten voor een aantal aanpassingen die passen binnen het risicoprofiel van het herstelplan. Deze aanpassingen zijn eind 2014 en begin 2015 doorgevoerd:

  • Het vervangen van converteerbare obligaties voor wereldwijde aandelen;
  • Het gedeeltelijk vervangen van wereldwijde aandelen passief en actief voor wereldwijde aandelen met een maatschappelijk verantwoord beleggingsbeleid;
  • Het verplaatsen van particuliere hypotheken en ”investment grade” Europese obligaties van de return- naar de matchingportefeuille;
  • Het vergroten van de allocatie naar particuliere hypotheken.

7.3

Samenstelling belegd vermogen

De totale waarde van de beleggingsportefeuille (exclusief derivaten) bedroeg eind 2014 € 712.328.000 ten opzichte van € 562.481.000 eind 2013. Over 2014 is een fors beleggingsrendement gehaald van 27,5% (+ € 149.557.000). Ondanks dat mooie beleggingsresultaat is Bpf HiBiN niet in staat om de pensioenrechten waardevast te houden (te indexeren). Dat lijkt vreemd, maar is verklaarbaar door de toch weer verder gedaalde rente. Daardoor stijgt de waarde van de verplich­tingen van het fonds.


7.4

Beleggingsresultaten

In de volgende tabel worden de beleggingsrendementen van de portefeuille en de benchmark weergegeven.


Het rendement van 27,5% werd voornamelijk veroorzaakt door de gedaalde rente. Een daling van de rente zorgt namelijk voor een positief rendement op de matchingportefeuille. Over 2014 was dit rendement +50,9%. Op de returnportefeuille is een positief rendement behaald van 7,7%.


Ontwikkeling Matchingportefeuille

Het rendement op de matchingportefeuille van +50,9% moet gerelateerd worden aan de markt­waardeverandering van de voorziening pensioen­verplichtingen. De rente die moet worden gebruikt voor de waardebepaling van de voorziening pensioenverplichtingen wordt bepaald door De Nederlandsche Bank. Deze rente wordt de Ultimate Forward Rate genoemd.


De Ultimate Forward Rate is een risicovrije reken­rente die voor looptijden van 20 jaar en langer gehanteerd wordt. De rekenrente na 20 jaar beweegt zich richting een lange termijn niveau van 4,2%. Voor looptijden korter dan 20 jaar wordt de daadwerkelijke marktrente gehanteerd. Als de rente stijgt, daalt de waarde van de voorziening pensioenverplichtingen en andersom geldt dat ook. De waarde van de voorziening pensioenverplichtingen is in 2014 door de daling van de rente hard gestegen.


Met de matchingportefeuille wordt getracht zoveel mogelijk de ontwikkeling van de voorziening pensioenverplichtingen te volgen. Het bestuur heeft in 2014 besloten het renterisico tussen de voorziening van de pensioenverplichtingen en de beleggingen in de matchingportefeuille voor 62% op elkaar af te stemmen (af te dekken). Dit doet Bpf HiBiN door de looptijd van de beleggingen in de matchingportefeuille voor 62% in overeenstemming te brengen met de looptijd van de verplichtingen.


Met de matchingportefeuille wordt getracht zoveel mogelijk de ontwikkeling van de voorziening pensioenverplichtingen te volgen.


Tegenover de forse stijging van de voorziening pensioenverplichtingen staat dus ook een stijging van de matchingportefeuille. Doordat de pensioenverplichtingen sterker zijn gestegen dan de waarde van de matchingportefeuille, is de dekkingsgraad per saldo toch gedaald. Dit als gevolg van de gevoeligheid voor dalende rentes.


Ontwikkeling Returnportefeuille

Binnen de returnportefeuille hebben vrijwel alle beleggingscategorieën een positief resultaat laten zien. De enige uitzonderingen waren de beleggingen in obligaties van opkomende markten (uitgegeven in lokale valuta) en een tweetal vastgoedfondsen. Het rendement van de returnportefeuille blijft licht achter bij de benchmark, die een rendement behaalde van 8,5%. Deze underperformance is voornamelijk te wijten aan een onderweging in Noord-Amerika en de Amerikaanse dollar in twee deelportefeuilles, de wereldwijde ESG aandelenportefeuille en het actief beheerde wereldwijde aandelenfonds.


7.5

Beleggingsbeginselen (Investment beliefs)

Bpf HiBiN hanteert de volgende beleggings­beginselen.


1. Bpf HiBiN is een lange termijn belegger

De uitkeringen die Bpf HiBiN moet doen liggen (ver) in de toekomst. Bpf HiBiN wil kunnen profiteren van lange termijn mogelijkheden en niet teveel sturen op de korte termijn. Bpf HiBiN realiseert zich echter dat een lange termijn belegger op korte termijn risico’s kan lopen en dat korte termijn risico’s voor haar deelnemers nadelige impact kunnen hebben. Daarom:

  • Richt Bpf HiBiN zich in haar beleggingsbeleid in eerste instantie op de lange termijn, maar beoordeelt zij expliciet de mogelijke risico’s op de korte termijn. De risico’s op korte termijn zijn mede afhankelijk van de financiële positie van het fonds.
  • Beoordeelt Bpf HiBiN de beleggingen in eerste instantie op het lange termijn risico en het lange termijn rendement: Bpf HiBiN is een fundamentele belegger.
  • Wil Bpf HiBiN niet meer risico nemen dan nodig is om haar lange termijn doelstellingen te kunnen realiseren.
  • Is Bpf HiBiN voorzichtig in het voeren van een tactisch beleid waarbij wordt ingespeeld op beleggingsmogelijkheden met een korte termijn horizon.

2. Bpf HiBiN is kostenbewust

De kosten bepalen mede de pensioenhoogte. Door de lange horizon kan het fonds profiteren van ”rente op rente” maar heeft het last van ”kosten op kosten”. De verwachte opbrengsten zijn vaak onzeker, maar de kosten niet. Er wordt door het pensioenfonds evenwel niet blindgestaard op kostenminimalisatie. Daarom:

  • Maakt Bpf HiBiN een expliciete kosten-baten afweging: Bpf HiBiN accepteert alleen hogere kosten als dat leidt tot een aantoonbaar hoger verwacht rendement danwel leidt tot een kwaliteitsverbetering. Kosten worden echter nooit in isolement bekeken.
  • Weegt Bpf HiBiN kosten expliciet mee in het oordeel of een investering na kosten een voldoende hoog rendement genereert. Dit doet Bpf HiBiN zowel bij de keuze voor een bepaalde beleggingsmix (bepaalde beleggingscategorieën zijn immers duurder dan andere) als bij de invulling van een beleggingscategorie.
  • Maakt Bpf HiBiN een expliciete keuze tussen ”make” (zelf doen) en ”buy” (uitbesteden) waarbij de gevolgen voor het kostenniveau worden afgezet tegen de baten (bijvoorbeeld professionaliteit en continuïteit).

3. Bpf HiBiN belegt alleen in categorieën en strategieën die het op hoofdlijnen begrijpt

Het fonds belegt alleen in categorieën en strategieën die het bestuur op hoofdlijnen begrijpt. Dit betekent evenwel niet dat Bpf HiBiN per definitie alleen maar in aandelen en vastrentende waarden belegt. Onder begrijpen verstaat het fonds dat het de karakteristieken van de belegging kan uitleggen aan de achterban. Bpf HiBiN wil een uitlegbaar beleggingsbeleid voeren waarbij het ook als het misgaat, kan uitleggen waarom destijds bepaalde beleggingsbeslissingen zijn genomen. Daarom:

  • Doet Bpf HiBiN wat nodig is om (nieuwe) beleggingscategorieën, -constructies en –instrumenten te doorgronden.
  • Hanteert Bpf HiBiN gezond verstand bij investeringsbeslissingen en staart het niet blind op modellen.
  • Wil Bpf HiBiN zicht hebben op de eindbeleggingen (look-through).
  • Besteedt Bpf HiBiN voor minder liquide instrumenten meer tijd en aandacht aan de waardering en betrouwbaarheid van cijfers.
  • Streeft Bpf HiBiN de kennis, kunde en het gedrag na om de partijen aan wie is uitbesteed te kunnen beoordelen en een volwaardige gesprekspartner te zijn (countervailing power).

4. Bpf HiBiN belegt maatschappelijk verantwoord

De verantwoordelijkheid van het fonds gaat verder dan een goede risico-rendementsafweging. Het fonds is zich bewust van de invloed die zij als belegger kan uitoefenen. Daarom:

  • Is bij beleggingsbeleid-beslissingen de impact van en op het Maatschappelijk Verantwoord Beleggen (’MVB’)- onderdeel van de besluitvorming.
  • Voert Bpf HiBiN een MVB beleid waarover verantwoording wordt gegeven.
  • Wil Bpf HiBiN inzicht in de portefeuille hebben op de door haar gewenste momenten.
  • Geeft Bpf HiBiN de voorkeur aan zowel engagementbeleid als uitsluitingenbeleid.
  • Is Bpf HiBiN ondertekenaar van de United Nations Principles Responsible Investments (’NPRI’).
  • Heeft het fonds ook aandacht voor de mogelijke negatieve consequenties die een (te) strikt MVB beleid kan hebben op de omvang van het belegbaar universum en het kostenniveau.
  • Bpf HiBiN wil geen concessies doen aan de compleetheid van de portefeuille. De portefeuille-invulling moet een goede afspiegeling zijn van de betreffende beleggingscategorie.
    • De verantwoordelijkheid van het fonds gaat verder dan een goede risico-rendementsafweging.

      5. Risico vereist een extra rendement

      Het pensioenfonds is bereid om beleggingsrisico te accepteren indien dat wenselijk is om een acceptabele pensioenhoogte te realiseren. Daarbij is Bpf HiBiN alleen bereid om beleggingsrisico te accepteren indien daar naar verwachting een additioneel rendement tegenover staat. Daarom:

      • Vereist Bpf HiBiN een risicopremie voor risicovolle beleggingen (zakelijke waarden en vastrentende beleggingen waarvan het onzeker is of de investering wordt terugbetaald of wanneer de investering verkocht kan worden - illiquiditeit).
      • Moet de risicopremie voorafgaand aan de investering kunnen worden onderbouwd.
      • Hanteert Bpf HiBiN een ”passief tenzij” model. Bpf HiBiN belegt alleen actief (afwijkend van de benchmark) indien daar op lange termijn een hoger verwacht rendement of een lager verwacht risico tegenover staat.
      • Maakt Bpf HiBiN voor elke beleggingscategorie een expliciete keuze tussen actief en passief beleggen, of een mix van beiden.
      • Heeft Bpf HiBiN geen lange termijn visie op valuta.
      • Houdt Bpf HiBiN rekening met de looptijd en de kenmerken van de verplichtingen. Daarbij staart Bpf HiBiN zich niet blind op de huidige opgebouwde nominale aanspraken, maar houdt zij rekening met mogelijke indexaties en nieuwe opbouw van pensioenen.
      • Vereist Bpf HiBiN een hoger rendement indien ze haar vermogen langer uitzet.
      • Bpf HiBiN houdt in haar beleggingsbeleid rekening met mogelijke onevenwichtigheden in de markt. Dit kan leiden tot het afbouwen van risico, maar ook tot het toevoegen van risico.

      7.6

      Maatschappelijk verantwoord beleggen

      Het pensioenfonds belegt duurzaam volgens de principes die zijn vastgelegd in de internationale Principles for Responsible Investments (PRI) van de Verenigde Naties, in combinatie met criteria die gelden voor maatschappelijk verantwoord onder­nemen, de zogenaamde ESG thema’s. ESG staat voor Environment, Social en Governance.


      Bpf HiBiN stelt zich ten doel doordacht en verantwoord keuzes te maken bij het beleggen. Dat wordt onder andere aantoonbaar door daadwerkelijk gebruik te maken van het Bpf HiBiN-stemrecht in aandeelhoudersvergaderingen van de bedrijven waarin belegd wordt. Bij uitvoering van en advies over het stembeleid, maakt Bpf HiBiN vanaf medio 2013 gebruik van de diensten van Institutional Shareholder Services (ISS).


      In 2014 is er bij 549 bedrijven in 38 landen actief gestemd. Stemming was op onderdelen als volgt:

      • 6 onthoudingen: Het betrof hier beloningsvoorstellen, die (nog) niet goed uitgewerkt waren;
      • 837 keer tegen: Voornamelijk tegen benoeming bestuurders;
      • 7685 keer voor: Dit betrof voornamelijk goedkeuring jaarrekening en benoeming bestuurders.

      7.7

      Vermogensbeheerkosten

      In april 2011 bracht de Autoriteit Financiële Markten (AFM) het rapport ’Kosten pensioenfondsen verdienen meer aandacht’ uit. Hierin wordt gepleit voor een helder en transparant inzicht in de kosten die pensioenfondsen maken. In dit rapport is onder andere aandacht gevraagd voor de kosten op het gebied van vermogensbeheer.


      De Pensioenfederatie heeft dit concreet gemaakt in november 2011 in de vorm van ’aanbevelingen over het afleggen van verantwoording over de kosten’. Bpf HiBiN heeft deze aanbevelingen ter harte genomen en is nog een stap verder gegaan in de nadere uitsplitsing van deze kosten.


      De kosten van het fiduciair management en het vermogensbeheer bestaan uit verschillende com­ponenten. Naast de kosten van het fiduciair beheer en vermogensbeheer van de beleggingen zelf, de zogenaamde beheerkosten of management fees, is er ook sprake van administratieve kosten, custodian kosten, broker kosten, eventuele belastingen, bestuurs- en adviseurskosten, kosten voor het namens Bpf HiBiN stemmen op aandeelhouders­vergaderingen, kosten die gepaard gaan met bijvoorbeeld het afdekken van risico’s en transactiekosten.


      Niet alle kosten zijn direct zichtbaar. Kosten die bijvoorbeeld gemaakt worden voor het uitvoeren van transacties, de zogenaamde brokerkosten, of kosten die gemaakt worden voor het bewaren van de beleggingen, het bewaarloon, zijn direct zichtbaar. Transactiekosten zijn niet direct zichtbaar. De transactiekosten zijn de kosten die gemaakt worden om de effectentransactie tot stand te brengen en uit te voeren. Deze kosten zijn veelal op basis van een schatting tot stand gekomen, omdat er bijvoorbeeld bij transacties in de categorie vastrentende waarden niet separaat kosten in rekening worden gebracht, maar deze zich uiten in het verschil tussen de bied- en laatkoersen. Daarnaast is het bij participatie in beleggingsfondsen niet altijd exact te bepalen welke transactiekosten er zijn gemaakt. Daarvoor is een schatting gemaakt van de ’turnover’ in de portefeuille en op basis van gemiddelde transactie kosten in de markt zijn vervolgens de transactiekosten bij benadering bepaald.


      De totale kosten van het fiduciair beheer en het vermogensbeheer bedragen € 4.173.000. In een percentage van het totale gemiddeld belegd vermogen bedragen de kosten 0,65% per jaar. De kosten worden weergegeven in onderstaande tabel.


      In grote lijnen kunnen de kosten worden ingedeeld naar:
      • Fiduciair beheer (inclusief matching portefeuille): 0,17%
      • Kosten beleggingsfondsen: 0,23%
      • Transactiekosten: 0,10%
      • Overige kosten (accountantskosten, kosten bestuur en adviseurs, bewaarloon, custodian kosten): 0,15%

      Ontwikkeling beleggingskosten

      In 2013 is veel aandacht besteed aan de beleggingskosten en is actief aan kostenverlaging gewerkt. In 2014 was het resultaat nog beperkt met een verlaging van 0,07% ten opzichte van 2013. In 2015 wordt deze lijn voortgezet en is de verwachting dat de beleggingskosten zullen dalen. Ten opzichte van de gemiddelde vermogensbeheerkosten van de pensioenfondsen over 2013 van 0,54%, zit het fonds in 2013 en 2014 daar nog boven. Naar verwachting zit het fonds over 2015 onder deze ’benchmark’ van vermogensbeheerkosten.


      In 2013 is veel aandacht besteed aan de beleggingskosten en is actief aan kostenverlaging gewerkt. In 2014 was het resultaat nog beperkt met een verlaging van 0,07% ten opzichte van 2013.


      7.8

      Beleggingskostenoverzicht 2014

      7.9

      Z-score en performancetoets

      Bpf HiBiN is een verplichtgesteld bedrijfstak­pensioenfonds. Wanneer de beleggingsperformance van het pensioenfonds ontoereikend is, moet het pensioenfonds vrijstelling verlenen van de verplichtstelling wanneer een onderneming daarom verzoekt. Hiervoor wordt het feitelijke beleggingsrendement vergeleken met het rendement van een door het pensioenfonds vastgestelde normportefeuille. Dit wordt gedaan door jaarlijks de Z-score van het pensioenfonds te bepalen. Hierbij wordt het rendement (de performance) van het pensioenfonds met het rendement van de benchmark vergeleken, en het verschil gedeeld door een factor die afhankelijk is van de samenstelling van het belegde vermogen (de verhouding obligaties/aandelen).


      Vervolgens worden de Z-scores over een periode van 5 jaar samengevat in een performancetoets. Indien de uitkomst van de performancetoets lager is dan -1,28% mag een aangesloten onderneming besluiten om elders een pensioenverzekering af te sluiten. De pensioenregeling moet wel gelijkwaardig zijn aan die van Bpf HiBiN.


      Meer informatie over de berekening van de Z-score en de performancetoets is te vinden in het Vrijstellings- en Boetebesluit Wet Bpf 2000. De uitkomsten van de Z-score en de Performancetoets over 2014 ziin -/- 0,46% (Z score) respectievelijk 2,46% (performancetoets). Ondernemingen kunnen dus niet verzoeken om vrijstelling op basis van de performancetoets. Bij een negatieve uitkomst van de performancetoets (performancetoets <-1,28) heeft een werkgever de mogelijkheid om vrijstelling van verplichte deelneming in het fonds te verkrijgen.


       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

       

bekijk de
samenvatting

 

8Premie en pensioenuitvoeringskosten

Een pensioenfonds moet in principe voor de jaarlijkse pensioenopbouw een kostendekkende premie berekenen. De kostendekkende premie wordt berekend op basis van de rentetermijnstructuur.

8.1

Kostendekkende premie

De ontvangen premie was in 2014 lager dan de kostendekkende premie. Dat betekent dat het pensioenfonds in 2014 niet voldoende premie heeft ontvangen en dat deze dus niet kostendekkend is. Het verschil in 2014 op basis van marktrente was € 2.301.000 negatief. De oorzaak is de stijging van de pensioenuitvoeringskosten, die waarschijnlijk in 2015 licht naar beneden gaan en verder zullen dalen. De incidentele kosten betreffen in het verslagjaar de handhavingskosten en governancekosten. De opslag uitvoeringskosten in de kostendekkende premie bedroegen in:

  • 2011 - € 2.544.000
  • 2012 - € 1.860.000
  • 2013 - € 1.153.000

In 2014 liepen de netto kosten op tot € 3.391.000 De opslag bestaat uit de gemaakte kosten in het boekjaar minus de vrijgevallen excassokosten door het doen van uitkeringen en kunnen afwijken van de werkelijke uitvoeringskosten.


De rente is een sterk bepalende factor voor de premiemarge. De uitvoeringskosten, die onderdeel zijn van de kostendekkende premie, zijn in 2014 gestegen. Die stijging werd vooral veroorzaakt door de uitvoering van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, waardoor bijvoorbeeld vrijwel alle fonds­documenten moesten worden aangepast. Ook de opzet van de handhaving en naleving verplichtstelling hebben hogere kosten veroorzaakt.


Vooruitzichten 2015/2016

De komende jaren blijven de pensioenuitvoeringskosten (onderdeel van de kostendekkende premie) naar verwachting op een hoger niveau dan afgelopen jaar. Belangrijkste factoren in deze zijn:
1. Handhavingsbeleid en het actualiseren van het beleid aangaande de verplichtingstelling;
2. Wegvallen koepelvrijstelling pensioenuitvoeringsorganisatie waardoor het fonds btw moet gaan betalen over de kosten van pensioenbeheer, een structurele kostenverhoging;
3. Wet versterking bestuur pensioenfondsen betekent een verhoging van de bestuurskosten.


De gemiddelde leeftijd van de deelnemers en wellicht nieuwe sterftetabellen hebben ook invloed op de kostendekkende premie. Indien deze factoren een negatieve invloed hebben op de kostendekkende premie, zal het fonds in overleg treden met sociale partners, waarna sociale partners kunnen besluiten de regeling aan te passen.


8.2

Premieresultaat

De kostendekkende premie bestaat uit drie componenten:

  • De inkooppremie voor pensioenopbouw
  • Een opslag voor de uitvoeringskosten
  • Een opslag voor solvabiliteit waarmee de dekkingsgraad op peil moet blijven

De hoogte van de opslagen is begin 2014 vastgesteld. De solvabiliteitsopslag was 11,5%. Dat betekent dat van de afgedragen premie van € 29.597.000 een bedrag van € 25.934.000 gebruikt wordt voor nieuwe pensioenaanspraken, een bedrag van € 3.391.000 voor de pensioenuitvoering gebruikt wordt en een bedrag van € 2.982.000 als buffer wordt aangehouden. Hierdoor ontstaat het negatieve resultaat van € 2.491.000.


8.3

Premiebijdrage aan herstel

Eind 2013 bedroeg de dekkingsgraad 109,8%. Het fonds bevond zich hiermee niet meer in een situatie van dekkingstekort. Omdat het fonds zich gedurende drie opeenvolgende kwartaaleinden niet meer in een situatie van dekkingstekort bevond, is het korte termijn herstelplan geëindigd. Aangezien er eind 2013 wel nog sprake was van een reserve­tekort, was gedurende 2014 het lange termijn herstelplan wel nog van kracht.

Aangezien er eind 2013 wel nog sprake was van een reserve­tekort, was gedurende 2014 het lange termijn herstelplan wel nog van kracht.

8.4

Pensioenuitvoeringskosten

In de pensioenuitvoeringskosten zijn de volgende kosten opgenomen:

  • kosten voor de werkgevers- en deelnemers­administratie, zoals premie-incasso, administratie van de pensioenaanspraken, kosten voor het uitkeren van pensioenen, maar ook kosten van waardeoverdracht, afkoop, communicatie;
  • bestuurskosten, zoals vacatiegeld voor leden van de fondsorganen, opleidingskosten;
  • kosten bestuursbureau; overige kosten zoals advieskosten, kosten verbonden aan toezicht van DNB, AFM, actuaris en accountant, juridische kosten.

Na een daling van de uitvoeringskosten in de periode 2011 – 2013, zijn de uitvoeringkosten in 2014 gestegen en wel met € 1.620.000. De kosten per deelnemer zijn van € 134 (2013) met € 138 per deelnemer gestegen naar € 272 per deelnemer.


Een aantal ontwikkelingen heeft deze grote kostenstijging onvermijdelijk gemaakt, o.a.: initiële lasten van het opzetten van het handhaving verplichtstellingsproces, het actualiseren van het beleid aangaande de verplichtstelling en het voor­bereiden op en implementatie van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen voorafgaand 1 juli 2014. Daarnaast hebben deze processen ook gezorgd voor een verhoging van de bestuurskosten en bestuurs­bureaukosten, welke voornamelijk bestaan uit inhuur van extra personele capaciteit.


Het bestuur heeft verhoogde aandacht voor kostenbeheersing. Echter, het fonds heeft de komende jaren te maken met de ontwikkelingen zoals in paragraaf 1 van dit hoofdstuk benoemd.


 

 

 

 

 

 

 

bekijk de
samenvatting

 

9Pensioencommunicatie

Ook in 2014 is duidelijk en vooral begrijpelijk communiceren belangrijk voor Bpf HiBiN. Dat is enige jaren geleden ingezet en blijft natuurlijk op de agenda staan. Ook al omdat de toetsing vanuit de toezichthouder hier ook op geënt is.

Communiceren: investeren in de relatie

Een goede relatie is gebaseerd op duidelijkheid, eerlijkheid en openheid. We zijn daarom open over wat we doen en hoe we ervoor staan. Via diverse communicatiemiddelen, zoals de pensioenflitsen, de website en de Pensioenflits+ zijn we open over wat het bestuur doet en vertellen we het eerlijke verhaal over pensioen en Bpf HiBiN. Financiële gegevens zijn openbaar. Het bestuur wil helder en eenduidig zijn in wie ze is en wat ze doet of van plan is.


Voorgaande is voor Bpf HiBiN de basis waarop zij haar communicatiebeleid vormgeeft en bij uitvoering altijd in haar achterhoofd houdt. Daarnaast heeft Bpf HiBiN ook te maken met de wettelijke regelgevingop het gebied van communicatie. Zo zijn er verplichte communicatiemiddelen. Vaak wordt ook voor­geschreven hoe die informatie gepresenteerd en verspreid moet worden. Een voorbeeld hiervan is het Uniform Pensioenoverzicht. Vanzelfsprekend volgt Bpf HiBiN die wetgeving ook op. In de toelichting die vormvrij is, proberen we ook zo duidelijk mogelijk te zijn. De verplichte startbrief hebben we in 2014 sterk verbeterd. Zowel in de papieren als de online versie werken we met twee routes: een korte en een langere voor mensen die meer willen weten.


Wat is gedaan in 2014?

Naast de reguliere (wettelijk verplichte) communicatie zoals het Uniform Pensioenoverzicht (de UPO), beschikt het pensioenfonds over een uitgebreide website, een app en wordt er gebruik gemaakt van social media.


In totaal zijn de inmiddels bekende en goed ontvangen Pensioenflitsen verschenen. Daarin wordt ingegaan op één centraal thema en wordt actuele informatie over Bpf HiBiN en de pensioen­regeling gegeven.


In 2014 is daarnaast de Pensioenflits+ verschenen. Deze is uitgebreider dan de reguliere Pensioenflits (ter vervanging van het magazine ’Met pensioen’). Er kwamen onder meer voorbeelden voorbij van pensioensituaties van verschillende deelnemers om te wijzen op het belang van het bekijken van ieders pensioensituatie. Ook ging directeur Rob Braaksma in op verschillende prangende thema’s. De Pensioenflits+ zal ook in 2015 weer verschijnen.


In september werd een werkgeversspecial verstuurd naar alle werkgevers. Deze bestond uit een beknopte papieren versie per post en een uitgebreide online versie waarin onder andere de nieuwe Wet Pensioen­communicatie aan bod kwam. De duidelijkere rol van de werkgever bij de communicatie over het pensioen richting werknemers kwam uitgebreid aan bod. Ook werd gewezen op het werkgeverspakket dat werkgevers kunnen downloaden van de website voor het organiseren van een informatiebijeenkomst in hun organisatie.


Naast de reguliere communicatie zoals het Uniform Pensioenoverzicht (de UPO), beschikt het pensioenfonds over een uitgebreide website, een app en wordt er gebruik gemaakt van social media.


Zoals in paragraaf 4.8 aangegeven, staat het verzamelen van mailadressen van deelnemers hoog op de agenda. Communiceren via e-mail is sneller, goedkoper en beter voor het milieu. Op verschillende manieren is ook in 2014 geprobeerd de deelnemers op te roepen hun mailadres door te geven. Het aantal groeit gestaag, maar is nog lang niet voldoende om de papieren Pensioenflits bijvoorbeeld te vervangen voor een digitale versie. De mailadressen van de werkgevers zijn wel grotendeels bekend bij het pensioenfonds.


De deelnemers die inmiddels wel hun mailadres aan het fonds hebben doorgegeven, hebben in 2014 al wel een aantal e-mailings ontvangen. Bijvoorbeeld om te wijzen op de social media accounts van het fonds en de online versie van het jaarverslag van 2013.


Er werd zoals gezegd een nieuwe startbrief ontwikkeld. Hierin is optimaal gebruik gemaakt van gelaagdheid in informatie, waardoor de regeling erg duidelijk wordt uitgelegd. De lezer kan kiezen tussen een korte, beknopte route (5 minuten) en een langere, uitgebreide route (15 minuten).


Tenslotte werd het digitale jaarverslag in 2014 (over 2013) verbeterd: meer filmpjes, interactiviteit en verklarende teksten. Uit metingen is gebleken dat ook de deelnemers van Bpf HiBiN deze voor de pensioensector nieuwe manier van het uitbrengen van een jaarverslag, bijzonder waarderen.


Resultaten communicatieinspanningen 2014

Bpf HiBiN meet de inspanningen van de communicatie. Alleen op die manier kan Bpf HiBiN zich blijven verbeteren. We nemen afscheid van wat niet werkt en we gaan meer doen van wat wel werkt. Ontdekken door doen.


Voor wat betreft de meeste resultaten kunnen we concluderen dat we een stijgende lijn zien. Het pen­sioenbewustzijn lijkt gestegen. Meer mensen hebben zich verdiept in hun eigen situatie. Het imago van Bpf HiBiN is steeds positiever. Het bereik van alle middelen is groter en de hoeveelheid informatie wordt positiever beoordeeld. Tenslotte winnen digitale middelen langzamerhand terrein.


Op basis van de laatste effectmeting in september 2014 (vergeleken met de meting van december 2013) zijn de praktische implicaties als volgt:

  • Blijvende aandacht voor het contact met de werkgevers;
  • Focus op alle leeftijdscategorieën;
  • Doorzetten digitalisering;
  • Deelnemers blijven informeren over de informatie op de website van Bpf HiBiN.

De AFM heeft in 2014 een onderzoek uitgevoerd onder pensioenfondsen naar de communicatie naar deelnemers. Er is onder andere gekeken naar de startbrief en de Pensioenflits inzake het onderwerp wijziging regelening. Met gepaste trots kunnen wij melden dat de AFM Bpf HiBiN als ’best practice’ heeft aangewezen.


Verslag van het verantwoordingsorgaan

Het pensioenfonds Bpf HiBiN heeft op basis van de Pensioenwet een verantwoordingsorgaan ingesteld. Over het eerste halfjaar van 2014 was er ook nog een deelnemersraad. De verantwoordelijkheden van het verantwoordingsorgaan zijn vastgelegd in de statuten van het pensioenfonds Bpf HiBiN en in het reglement van het verantwoordingsorgaan. Als gevolg van het in werking treden van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen zijn er in april verkiezingen gehouden voor de zetels voor afgevaardigden namens pensioengerechtigden in het nieuwe verantwoordingsorgaan dat in de vergadering van juni door het bestuur is geïnstalleerd.


Het nieuwe verantwoordingsorgaan bestaat uit zes personen, te weten twee vanuit de pensioen­gerechtigden, twee vanuit de werknemers, een vanuit de gewezen deelnemers (slapers) en een vanuit de werkgevers. Helaas is deze laatste zetel nog steeds vacant. Door de diversiteit in de samenstelling met een mix van mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, voldoen we aan de Code Pensioenfondsen. De eerste taak van het verantwoordingsorgaan was het voordragen van kandidaten voor de nieuwe Raad van Toezicht, die inmiddels door het bestuur is geïnstalleerd. De leden uit de kring van de gepensioneerden hebben uit haar midden een voordracht gedaan voor een kandidaat bestuurslid namens de gepensioneerden, die inmiddels zitting heeft genomen in het bestuur.


De leden van het verantwoordingsorgaan hebben als ’toehoorder’ (zonder stemrecht) zitting in de diverse bestuurscommissies. Het bestuur heeft gekozen voor een paritair bestuursmodel en werkt met commissies ter voorbereiding op de besluit­vorming, waardoor we als verantwoordingsorgaan optimaal geïnformeerd worden over de achter­gronden van de besluitvorming.


Gedurende het jaar 2014 zijn de fondsdocumenten aangepast aan de nieuwe situatie waarbij het verantwoordingsorgaan om advies is gevraagd. Verder heeft het verantwoordingsorgaan in 2014 van het bestuur adviesvragen ontvangen voor:

  • het op te stellen verkiezingsreglement
  • het functieprofiel voor de voorzitter van het bestuur
  • het reglement voor het verantwoordingsorgaan
  • het huishoudelijk reglement van het verantwoordingsorgaan
  • het reglement intern toezicht / Raad van Toezicht
  • het te voeren beloningsbeleid van de fondsorganen
  • het verzoek tot het testen van de website van Bpf HiBiN.

Het bestuur van het fonds legt verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan over het beleid en de wijze waarop dat is uitgevoerd. Het verantwoordingsorgaan heeft op grond van de Pensioenwet en de principes voor goed pensioenbestuur de bevoegdheid een oordeel te geven over het door het bestuur gevoerde beleid aan de hand van het jaarverslag, de jaarrekening en andere informatie. Het oude verantwoordingsorgaan heeft in juni 2014 nog het gevoerde beleid over 2013 behandeld.


Het verantwoordingsorgaan heeft geconstateerd dat de externe accountant een goedkeurende verklaring en de externe actuaris een actuariële verklaring bij de jaarrekening heeft verstrekt. In de actuariële verklaring bij de jaarrekening is opgenomen dat het fonds ultimo 2014 over voldoende vermogen beschikt en zich niet langer in een situatie van reservetekort bevindt. Onder het nieuwe FTK (nFTK) is er per 1 januari 2105 echter wel sprake van een reservetekort.


Naar het oordeel van het verantwoordingsorgaan heeft het bestuur gedurende het verslagjaar naar behoren gefunctioneerd. Wel heeft het verantwoordingsorgaan meermaals haar bezorgdheid uitgesproken over het niet voltallig zijn van het bestuur, met langdurige vacatures van werkgeverszijde, maar ook over het onbezet blijven van de zetel van werkgevers in het verantwoordingsorgaan. Ook heeft het verantwoordingsorgaan een opmerking gemaakt over de te late ontvangst van het plan voor het door het fonds te voeren premiebeleid voor 2015 dat is vastgesteld volgens het nFTK. Volgens het vanaf 1 januari 2015 geldende nFTK wordt het premiebeleid vastgesteld voor een periode van vijf jaar en kan het verantwoordingsorgaan daardoor hierop voorlopig geen invloed meer uitoefenen. Dat is een gemiste kans. Verder dienen de ervaringen bij de eerste verkiezingen voor de vertegenwoordigers vanuit de pensioen­gerechtigden, waarbij alle informatie in een document was verwerkt en er een erg lage opkomst was, verwerkt te worden in het verkiezingsreglement. De eerstvolgende verkiezingen zouden dan ook via het internet gehouden moeten worden.


In 2014 zijn veel belangrijke beleidsbesluiten door het bestuur afgehandeld, waaronder de invoering van de nieuwe pensioenreglement 2015. Het verantwoordingsorgaan heeft zich in de richting van het bestuur meermaals kritisch uitgelaten over de wijze van functioneren van de pensioenuitvoerder SAP. Tevens dienen de kosten per deelnemer, die inmiddels mede als gevolg van bestuurlijke aanpassingen weer flink zijn opgelopen, teruggebracht te worden. Met de nieuwe governance, de transitie naar het nieuwe pensioencontract wordt adequaat ingespeeld op de veranderende wet- en regelgeving, zoals de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, het Witteveenkader en Code Pensioenfondsen.


Eind 2014 is begonnen met het project verplichtstelling dat in de komende jaren nog een grote impact zal hebben op ons fonds. Het verantwoordingsorgaan blijft dit project kritisch volgen.


In een gezamenlijk overleg met de Raad van Toezicht heeft het verantwoordingsorgaan kennis genomen van de waarnemingen gedaan door de Raad van Toezicht over het tweede halfjaar van 2014, de eerste periode na hun aantreden. De Raad van Toezicht zal in een eigen verslag hierover verantwoording afleggen.


Het nieuwe verantwoordingsorgaan is goed van start gegaan, maar er komen nieuwe taken en verantwoordelijkheden op ons af zodat we alert moeten blijven en aandacht moeten blijven besteden aan ons kennisniveau. Hiervoor wordt het geschiktheids- en opleidingsplan van Bpf HiBiN aangepast. Wel heeft het verantwoordingsorgaan samen met het bestuur in 2014 nog voor het inwerking treden van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen deelgenomen aan een driedaagse opleiding bij Swalef Pensioenadviseurs.


Aan het door het bestuur gehouden risicobereidheidsonderzoek onder de deelnemers van Bpf HiBiN heeft het verantwoordingsorgaan deelgenomen middels een eigen onderzoek onder de leden van het verantwoordingsorgaan.


Het verantwoordingsorgaan is lid van Platform Medezeggenschap Pensioenfondsen PMP, voorheen het Platform Deelnemersraden, en heeft ook zitting in de adviesraad van het PMP. Het is belangrijk om als verantwoordingsorgaan ervaringen en kennis met andere fondsen te delen.


De leden van het verantwoordingsorgaan staan open voor contact met de deelnemers van Bpf HiBiN, die we in alle geledingen vertegenwoordigen. Deelnemers in de opbouw fase, gewezen deelnemers (slapers) en pensioengerechtigde deelnemers.


Breda, 11 juni 2015


Vertegenwoordiger vanuit de deelnemers
  • Mevrouw M. van Heesbeen
  • De heer H.G.M. Zaan

  • Vertegenwoordiger vanuit de gewezen deelnemers
  • De heer H.K. Vink

  • Vertegenwoordiger vanuit de werkgevers
  • De heer M.J.J. Vaes (voorzitter) (tot 1 juli 2014), vacature (per 1 juli 2014)

  • > Vertegenwoordiger vanuit de pensioengerechtigden
  • De heer R.F.M. van Scheijndel (voorzitter), (per 1 juli 2014)
  • De heer J. Krijt

Reactie van bestuur op verslag van het verantwoordingsorgaan


Het bestuur heeft met genoegen kennis genomen van het oordeel van het verantwoordingsorgaan over het verslagjaar 2014.


In reactie op de inhoud van het verslag merkt het bestuur op dat het reservetekort vanzelfsprekend haar volle aandacht houdt. Voor wat betreft de bestuurssamenstelling is het bestuur verheugd te kunnen melden dat er inmiddels kandidaat-bestuurs­leden zijn voorgedragen door de werkgevers. Het bestuur blijft aandringen bij de werkgevers om invulling van de werkgeverszetel in het verantwoordingsorgaan. De evaluatie van de verkiezingen voor vertegenwoordigers vanuit pensioengerechtigden in het verantwoordingsorgaan zal door het bestuur worden meegenomen in het geval nieuwe verkiezingen aanstaande zijn.


Het bestuur is structureel in overleg met de administrateur Syntrus Achmea over de kwaliteit en de kosten van de dienstverlening. De in 2014 ingezette contracts-onderhandelingen zijn in 2015 voortgezet. Ook de kosten per deelnemer heeft de aandacht van het bestuur, maar een forse daling van deze kosten is op korte termijn naar verwachting moeilijk te realiseren. Het gezamenlijke overleg met het verantwoordingsorgaan wordt door het bestuur als prettig en constructief ervaren. Het bestuur is ook verheugd dat het verantwoordingsorgaan bereid en in staat is om bij gelegenheid andere activiteiten op te nemen, zoals het testen van de website van Bpf HiBiN.


Het bestuur bedankt de leden van het verantwoordingsorgaan voor hun inzet en de betrokkenheid gedurende het afgelopen jaar. Het bestuur concludeert dat de leden van het verantwoordingsorgaan in een snel veranderend ’pensioenlandschap’ door het nauwgezet volgen van al deze veranderingen voor het bestuur een adequate gesprekspartner is.


Namens het bestuur,

  • C. Lonsain
  • A.N. Slingerland

Breda, 11 juni 2015


Verslag van de deelnemersraad (tot 1 juli 2014)


Het pensioenfonds Bpf HiBiN heeft op basis van de oude Pensioenwet een deelnemersraad en verantwoordingsorgaan ingesteld. Als gevolg van het in werking treden van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen zijn er in april 2014 verkiezingen gehouden voor het nieuwe verantwoordingsorgaan. De deelnemersraad heeft het bestuur hierbij geadviseerd in de wijze van het organiseren van deze verkiezingen en het verkrijgen van de benodigde kandidaten voor het nieuwe verantwoordingsorgaan. De deelnemersraad is met ingang van 1 juli 2014 opgeheven en het oude verantwoordingsorgaan is opgegaan in het nieuwe verantwoordingsorgaan.


Breda, 11 juni 2015


Voormalige Deelnemersraad

Vertegenwoordiger vanuit de deelnemers
  • Mevrouw M. van Heesbeen
  • De heer H.G.M. Zaan
  • De heer J. Krijt

Vertegenwoordiger vanuit de gewezen deelnemers
  • De heer H.K. Vink (voorzitter)

Vertegenwoordiger vanuit de werkgevers
  • vacature

Vertegenwoordiger vanuit de pensioengerechtigden
  • De heer R.F.M. van Scheijndel

Verslag van de Raad van Toezicht

De Raad van Toezicht is op 1 juli 2014 aangetreden, nadat zij als visitatie­commissie haar visitatie over het verslagjaar 2013 had verricht. Zij is merendeels in volledige samenstelling bij alle bestuursvergaderingen die nadien in het jaar 2014 hebben plaatsgevonden aanwezig geweest.

Tussen de voorzitter van de Raad en de voorzitters van het bestuur en VO is daarnaast intensief overleg geweest. Aan het VO is over het jaar 2014 in een gezamenlijke vergadering van VO en Raad op 5 februari 2015 verantwoording afgelegd en is de bestuurlijke situatie van het fonds diepgaand besproken. De Raad heeft zich zodoende goed kunnen inwerken en zich een goed beeld kunnen vormen van de algemene gang van zaken in het pensioenfonds en van de bestuurlijke verhoudingen.


1. Goedkeuringen

Conform haar wettelijke bevoegdheden heeft de Raad het beloningsbeleid voor het bestuur goed­gekeurd, waarbij is aangedrongen op een sober en beheerst beloningsbeleid ook ten aanzien van de onafhankelijke bestuurders. Ook heeft zij de profielschets en de voordracht van de nog te benoemen bestuurders (waaronder een nieuwe voorzitter) goedgekeurd, dit laatste nadat de Raad de voor­gedragen kandidaten had gesproken. Dit heeft tot nog toe tot slechts één benoeming geleid (geëffectueerd in het eerste kwartaal 2015).


2. Algemene gang van zaken/bestuurlijk functioneren

Werd de eerste helft van 2014 gedomineerd door de in 2013 vrij plotseling gebleken problematiek rondom de verplichtstelling, de tweede helft van 2014 werd gedomineerd door de dreigende bestuurlijke discontinuïteit, die ontstond na het plotselinge vertrek in juni van de heer G. Mantel als voorzitter namens de werkgeversorganisatie.


Gelijktijdig vervulde het bestuursbureau mede door het zwakke functioneren van de uitvoeringsorganisatie Syntrus Achmea een steeds dominantere rol, wat weer vragen opriep over het in control zijn van het bestuur.


De Raad heeft aangedrongen om het verplichtstellingsrisico met de meeste voortvarendheid aan te pakken, waarbij met name een kwantificering van dit risico diende plaats te vinden, en zo nodig Syntrus Achmea aansprakelijk gesteld diende te worden. Het streven naar een fusie met een ander fonds werd door de Raad op zich onderschreven, maar dan dient het verplichtstellingsrisico eerst volledig in kaart gebracht en beheerst te worden.


Toen in de tweede helft van het jaar bleek dat een tweetal door de werkgeversvereniging Koninklijke Hibin voorgedragen bestuursleden niet benoemd zouden gaan worden, dreigde een bestuurlijke crisis. De Raad heeft sterk aangedrongen op herstel van de relatie met Koninklijke Hibin nu het paritaire bestuursmodel nog door de sociale partners wordt onderschreven, maar tegelijk aangedrongen een ’plan B’ op te stellen in het geval dat het niet op korte termijn mogelijk zou blijken de vacatures in het bestuur in te vullen. Omdat ook de onderlinge verhoudingen binnen het bestuur en met het bestuursbureau mede daardoor onder druk kwamen te staan, meende de Raad dat een kritisch punt werd bereikt, dat tot een mogelijk ingrijpen door Raad of DNB kon nopen.


De voorzitter ad interim heeft met grote inzet en in intensief overleg met de Raad en DNB kunnen zorgen dat men in de rails bleef, hoewel de alarmfase - ook op het moment van vaststelling van dit jaarverslag - nog niet kon worden afgesloten.


De Raad heeft vastgesteld dat het VO een actieve, countervailing rol vervult en bestuur en Raad scherp houdt, en spreekt daarvoor haar waardering uit. Wel bevreemdt het haar dat het VO niet betrokken is geweest bij het vaststellen van het premiebeleid over 2015 en volgende jaren, aangezien dit als good practice is aanbevolen, vooruitlopend op haar wettelijke bevoegdheid vanaf 2015.


3. Adequate risicobeheersing en evenwichtige belangenafweging

De Raad heeft gekeken naar de diverse risico’s die het fonds loopt. Ten aanzien van het beleggingsrisico voorziet de Raad geen direct risico, ook de performance is goed. De Raad heeft ook het beleid van DNB inzake belangenverstrengeling bezien. Belangen­verstrengeling betekent niet per definitie een integriteitsrisico, maar het bestuur zal hier de nodige aandacht aan moeten besteden. Verder worden door de Raad als bijzondere en aandacht vragende risico’s onderkend de verplichtstelling, de governance, de uitvoering door Syntrus Achmea Pensioenbeheer en het nFTK.


Inzake de evenwichtige belangenafweging is de Raad van mening dat de Sociale Partners goed aangesloten moeten zijn en blijven. Dat moet prioriteit zijn. Er moet verder gewerkt worden aan het herstel van het vertrouwen. Het aangehaakt blijven van de Sociale Partners is een basisvoorwaarde voor het welslagen van het huidige paritaire bestuursmodel.


4. Verplichtstellingsdossier

De Raad acht het continu monitoren van de voortgang rondom de verplichtstelling en de kwantificering van het risico hiervan van het grootste belang. Inzake de kwantificering zijn aanvankelijk inschattingen gemaakt die sterk uiteenlopen. De Raad is van mening dat deze inschattingen permanent bijgesteld moeten worden op basis van de nieuwe informatie uit de reeds aangeschreven bedrijven. Hierdoor moet een meer realistische kwantificering van het risico gemaakt kunnen worden. Het bestuursbureau steekt veel capaciteit in het verplichtstellingsdossier en ook externe partijen worden hierop ingezet, het moet duidelijker worden of deze inzet verantwoord is.

Het aangehaakt blijven van de Sociale Partners is een basisvoorwaarde voor het welslagen van het huidige paritaire bestuursmodel.

5. Bestuursbureau

De Raad is kritisch over het functioneren en de omvang van het bestuursbureau. Een fonds met een omvang als Bpf Hibin heeft normaliter geen bestuursbureau van een dergelijke grootte en zwaarte. Er zijn zeer hoge kosten mee gemoeid die het toch al hoge kostenniveau van dit fonds verder opstuwen. Het fonds is geen zelfadministrerend fonds, en een groot deel van de werkzaamheden die door het bestuursbureau worden uitgevoerd, horen in principe thuis bij de pensioenuitvoerder. Met een sterke pensioenuitvoerder is een bestuursbureau van deze omvang zeker niet nodig. Dit onderstreept ook de aanbeveling van de Raad aan het bestuur om snel actie richting de pensioenuitvoerder te ondernemen.


6. Jaarverslag en jaarrekening

De Raad heeft na bestudering van het concept jaarverslag en de concept jaarrekening, en na uitvoerige gedachtewisseling met het bestuur, de externe accountant en de externe actuaris, op 11 juni 2015 deze documenten goedgekeurd.


7. VITP Code en zelfevaluatie Raad van Toezicht

De Raad conformeert zich bij haar taakvervulling niet alleen aan de Code Pensioenfondsen maar ook aan de VITP code. Zij heeft in dat kader een zelfevaluatie gedaan en daaruit heeft zij geconcludeerd dat zij alert moet blijven op haar toezichthoudende rol. De intensieve aanhaking bij het bestuurlijke proces en functioneren roept het risico op dat de Raad mede op de stoel van het bestuur gaat zitten, en daardoor van Raad opschuift naar daad. Dat acht zij ongewenst.


8. Tot slot

Het fonds bevond zich in 2014 in woelige wateren (vooral bestuurlijk) en daaraan is nog geen eind gekomen. Waar aan de individuele inzet, kwaliteiten en geschiktheid van de bestuurders geen reden tot twijfel is, ontbreekt het nog aan harmonie. De Raad hoopt vurig dat deze in 2015 in een uiterste krachtsinspanning zal ontstaan. Alleen dan kan de weg naar samenwerking of fusie met een ander pensioenfonds ingeslagen worden.

  • Mr. P.J.M. Akkermans (voorzitter)
  • A.M.J. de Bekker AAG
  • Drs. A.A. van Hienen

Reactie bestuur op verslag van de Raad van Toezicht

Het bestuur heeft kennis genomen van het oordeel van de Raad van Toezicht over het verslagjaar 2014.

De samenstelling van het bestuur heeft inderdaad veel aandacht gevergd in 2014 en de eerste helft van 2015. Het bestuur is verheugd dat er inmiddels twee kandidaat-bestuursleden zijn voorgedragen en hoopt dat de vacatures in het bestuur daarmee spoedig zullen zijn ingevuld. Het bestuur is het eens met de Raad van Toezicht dat voor het welslagen van het paritaire bestuursmodel, een goed contact met sociale partners van groot belang is. Wel is het bestuur van mening dat de verantwoordelijkheid ligt bij het bestuur en te allen tijde gehandeld moet worden in het belang van het fonds zonder last en ruggenspraak. Dit is dan ook een punt van aandacht voor het bestuur. Het functioneren van het bestuur als collectief heeft echter de prioriteit. Voor 2015 is een uitgebreide zelfevaluatie gepland, welke wordt begeleid door een externe partij.


Vanuit de medio 2014 ingestelde Commissie Risico­management is gewerkt aan het verder in kaart brengen en doorlopend monitoren van de financiële en niet-financiële risico’s waaraan het fonds is blootgesteld. Daar waar nodig is aanvullend beleid opgesteld en is een start gemaakt met het beschrijven en vastleggen van de kritische processen. Begin 2015 zijn de risicostrategie, het beleid, de governance, het integraal risicomanagementproces en de informatievoorziening vastgelegd in een risicohandboek. In 2015 wordt het beleid in zake (schijn van) belangenverstrengeling aangescherpt.


Het bestuur heeft gekozen voor een projectmatige aanpak van het nFTK traject met een zeer uitgebreide planning voor commissies en bestuur.


Het bestuur heeft gekozen voor een projectmatige aanpak van het nFTK traject met een zeer uitgebreide planning voor commissies en bestuur. Sociale Partners en fondsorganen zijn tijdig bij het traject betrokken.


De Raad van Toezicht is kritisch over de omvang van het bestuursbureau van ons fonds. Het bestuur verzekert dat zij kritisch is op de kosten van het bestuursbureau, maar deelt de kritiek op de omvang niet geheel. In overleg met Syntrus Achmea is afgesproken dat het bestuursbureau van Bpf Hibin tijdelijke de handhaving van de verplichtstelling uitvoert met terugwerkende kracht.


Bij het beoordelen van de omvang en kosten van het bestuursbureau moet een onderscheid worden gemaakt tussen de reguliere en extra taken van het bestuursbureau. De reguliere taak is de ondersteuning van het bestuur in brede zin. Daarnaast heeft het bestuursbureau extra taken (vaak van tijdelijke aard); op dit moment is dat het project handhaving verplichtstelling dat na een grondige voorbereiding van start is gegaan. De eerste resultaten van dit project worden binnenkort verwacht. Dan zal er een evaluatie plaatsvinden en zal het traject of de aanpak waar nodig bijgestuurd kunnen worden.


Het bestuur wil tot slot de leden van de Raad van Toezicht danken voor hun grote inzet en betrokkenheid gedurende het afgelopen jaar.


Namens het bestuur,

  • C. Lonsain
  • A.N. Slingerland

Breda, 11 juni 2015

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Open de
jaarrekening

 

10Overige gegevens

In dit hoofdstuk presenteert het bestuur van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Handel in Bouwmaterialen de jaarrekening. In de eerste subparagrafen vindt u de jaarrekening. Daarna volgen de verklaringen van de certificerend actuaris en van de onafhankelijke accountant van het pensioenfonds.

Bekijk de volledige jaarrekening en overige gegevens
(Dit hoofdstuk wordt geopend als .PDF in een nieuw venster)

Open de jaarrekening
Disclaimer
Het volledige jaarverslag over 2014 van BPF Hibin
vindt u op www.bpfhibin.nl/jaarverslagen/2014.

 

Dit jaarverslag is met veel
zorg gemaakt. U kunt aan deze
uitgave geen rechten ontlenen.